Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

Gij

betekenis & definitie

GIJ, ook GE, pers. vnw. 2de pers. enk. en mv. (het enk. du ook de is nog slechts in enkele streken, zooals in Limburg, Oost-Gelderland, en Friesl. bekend). De vorm gij behoort tot de algemeene schrijftaal; in de spreektaal hoort men bijna overal jij, je of U.