Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Geven

betekenis & definitie

GEVEN, (gaf, heeft gegeven), iets aangeven, aanreiken of in iemands nabijheid plaatsen: iem. een glas water geven; hij gaf mij een stoel; geef mij wat van den pudding; een boek te lezen geven; hij gaf zijn koffertje aan het station in bewaring;

— iem. iets op zijn brood geven, hem van de taart geven (ook van de lat geven, of hem er van langs geven), (Zuidn. het iem, geven, of iem. er van geven), (ook) op zijn bliksem, zijn donder enz. geven, hem slaag geven, (ook) hem beknorren, hem de les lezen;
— (fig.) iem. de volle laag geven, hem alles tegelijk verwijten, scherp onder het oog brengen;
— iem. den zak, den bons geven, hem uit zijn dienst ontslaan, (ook) hem afwijzen (van een minnaar gezegd);
— van iets den brui geven, er den drommel van geven, er niet meer mee te doen willen hebben;
— iets er aan geven, het laten varen hij heeft de negotie er aan gegeven en gaat nu rentenieren;
— iem. de hand geven, om afscheid te nemen, of om eene verzekering te bekrachtigen, (ook fig.) hem steunen of helpen;
— iem.. een (den) arm geven, tot steun, of om hem te geleiden of zich door hem te laten geleiden;
— iem. iets in den mond (of in de pen) geven, hem er ongemerkt toe brengen een bepaald denkbeeld te uiten of neer te schrijven;
— toedienen, toebrengen hij gaf mij een duw; een klap, een slag geven; iem. voor zijne broek, voor de billen geven, hem daarop een pak slag toedienen; ik zal je op je gezicht, op je kop geven, slaan;
— (fig.) iem. den doodsteek geven, hem den laatsten slag toebrengen, hem voorgoed rampzalig maken; iem. een kus (een zoen) geven; een paard de sporen geven, met de sporen tot spoed aanzetten;
— (van iets dat gekocht, dat besteld wordt) geef een pond suiker; geef mij een glas bier;
— (van iets dat als geneesmiddel wordt toegediend) men geeft kinine tegen de koorts;
— (bij het kaartspel) de kaarten ronddeelen wie moet geven ?;
— verstrekken iem. bericht, inlichtingen geven, hij heeft ons kennis gegeven van zijne verloving;
— verschaffen, bezorgen hij gaf Willem eene plaats naast Chrisje; iem. den kost geven (of te eten geven), hem levensonderhoud verschaffen;
— voedsel geven aan een gerucht, aan een praatje, het meer geloofwaardig maken;
— iem. geven wat hem toekomt, (ook) hem de noodige eer of ouderscheiding betoonen;
— weten te geven en te nemen, voorkomendheid weten te vereenigen met de zorg voor eigen belang; (ook) niet al te streng optreden, door de vingers weten te zien;
— iem. belet geven, hem doen weten dat er belet is, dat hij niet kan gewacht worden;
— men moet een goed voorbeeld geven; hij gaf het teeken tot vertrek, het sein om te vertrekken; hij heeft nog geen bewijzen van bekwaamheid gegeven; ik geef u vierentwintig uren beraad, laat u 24 uren tijd om te overleggen; ik heb u nooit reden kt ontevredenheid gegeven;
— aanstoot geven, ergernis veroorzaken;
— iem.. werk geven, hem werk verschaffen, hem eene taak opgeven;
— iem. moeite (verdriet, last enz.) geven, bezorgen, aandoen;
— zich (veel) moeite voor iets geven, zich er voor inspannen;
— hij gaf zich de moeite het boek zelf te komen brengen, nam de moeite om dat te doen;
— een bevel geven, last geven om iets te doen, het bevelen;
— wetten geven, wetgever zijn;
— gegeven, (van wetten) uitgevaardigd gegeven te *s-Gravenhage, 3 Mei 1895;
— iem. antwoord geven, hem antwoorden;
— iem. eene verzekering geven, hem iets verzekeren;
— iem. zijn woord (zijn eerewoord geven, zijn woord van eer verpanden;
— ik heb mijn woord gegeven, ik ben niet meer vrij;
— zijn gegeven woord intrekken, zijne belofte schenden;
— iem. een goed woord geven, vriendelijk zijn ’t is een brompot, nooit geeft hij iem. een goed woord;
— iem. een lesje geven, hem de les lezen, berispen;
— les (of lessen) geven, onderwijs geven;
— den toon geven, den toon aangeven;
— zich eene houding geven, iets doen waardoor men bij anderen het vermoeden wil tegengaan, dat men in eene onprettige, onaangename, malle positie verkeert;
— zich airs (of een air) geven, zich gemaakt aanstellen, (ook) zich op iets laten voorstaan;
— aan zijn gemoed lucht geven (ook zich lucht geven), uiten wat in zijn binnenste omgaat;
— een vorm (een gedaante) aan iets geven, iets in een bepaalden vorm brengen;
— een draai aan iets geven, zie DRAAI;
— aan iets zijn eisch geven, er de betamelijke zorg aan besteden;
— aan iets gevolg geven, het ten uitvoer brengen hij gaf geen gevolg aan zijn plan om op reis te gaan; ik gaf gevolg aan de uitnoodiging, nam die aan;
— een kwade jongen geeft zijn vader heel wat te doen, bereidt hem heel wat moeite en zorg;
— iem. iets te raden geven, het laten raden ik geef het je in zessen (te raden), (eig. gij moogt zesmaal overraden), dat raadt ge nooit;
— iem. iets te verstaan (te kennen) geven, het hem kenbaar maken;
— dat verhaal geeft te denken, doet veel denken; een paar heldere oogen gaven eene levendige uitdrukking aan het gelaat;
— opleveren de eene kraan geeft koud, de andere warm water; eene onderneming die geld geeft; eene melk gevende koe; de koe geeft goed, geeft veel melk; de appelboomen geven dit jaar rijkelijk; wat zal de toekomst geven ?; dit ongeval gaf groot oponthoud;
— (Zuidn.) zooveel als het geven kan, als versterking gebruikt: hij liep zooveel als hij maar geven kon; huilen zooveel de keel geven kan;
— het geeft niet, het baat niet; wat geeft het of men u raadt: ge luistert toch niet;
— dat geeft ook wat , om te kennen te geven dat het niets baat of schaadt;
— dat geeft niet en neemt niet, dat oefent volstrekt geen invloed uit;
— het geeft geen pas om ’s avonds zoo laat buiten te loopen, is niet betamelijk;
— betalen, of aanbieden te betalen, bieden ik geef er een gulden voor;
— (Zuidn.) gedeeltelijk betalen ik heb hem al 20 fr. op de rekening, de schuld gegeven;
— om iets geven, er wat voor over hebben, er waarde aan hechten hij geeft niet om kunst; (ook) er zich om bekommeren ik geef geen zier om al zijn gebrom;
— niet om iem. geven, zich niet aan hem storen, maling aan hem hebben;
— iem. iets toekennen, toeschrijven ik geef er hem de schuld van; men zou hem nauwelijks vijftig jaren geven en hij is in de zestig;
— schenken (als gunst of als een bewijs van goedheid) (bijb.) geef ons heden ons dagelijksch brood; de Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen: de naam des Heeren zij geloofd;
— God geve u zijn zegen, zegene u;
— gave God dat zij herstelde, mocht het Gode behagen;
— het was hem niet gegeven zijn stervenden vader nog levend te zien, het was hem niet vergund;
— geef mij uw dochter tot vrouw;
— eens gegeven, blijft gegeven, wat men heeft weggeschonken mag men niet weer terugeischen;
— een gegeven paard moet men niet in den bek zien, een geschenk of wat men voor niets krijgt mag men niet te nauw beoordeelen;
— iem. iets ten geschenke (present, cadeau) geven, het hem schenken;
— dat geef ik je present of cadeau, minachtend van iets waar men geen waarde aan hecht: die heele redeneering geef ik je cadeau;
— geven met de warme hand, bij zijn leven geld of goed wegschenken het geven met de warme hand rooft de schatkist duizenden guldens aan successierechten;
— iem. zijn zin geven, aan zijn verlangen voldoen;
— zij gaf hem haar hart (haar liefde, het jawoord);
— (van meisjes en vrouwen) zich geven, zich geheel overgeven, met zich laten geworden zij gaf zich met een koud hart, met tegenzin aan dien ouden man;
— (gemeenz.) eene vrouw wat geven, haar beslapen; hij geeft zijne vrouw niet genoeg, oefent den bijslaap niet genoeg bij haar uit;
— iem. de eer van iets geven, hem de verdienste er van toekennen; iem. vrijheid, verlof, rechten geven; de dokter geeft hoop, op herstel; niets geeft u het recht zoo tot mij te spreken;
— dat geeft den burger moed, scherts, gezegd van al wat moedeloosheid kan te keer gaan drink een glas wijn, dat geeft den burger moed;
— een feest, een gastmaal, een bal geven, aanbieden aan zijne gasten;
— een concert, eene tooneelvoorstelling geven, als ’t ware aanbieden aan het publiek vanavond wordt de Faust gegeven, vertoond;
— iem. een genoegen geven, verschaffen; zijn tijd (zijne moeite) aan iets geven, besteden;
— zich (geheel) aan iets geven, zich er aan wijden;
— iem. iets schenken als eene weldaad, waarvoor men geene vergelding verlangt: het is zaliger te geven dan te ontvangen; aalmoezen geven; men moet zoo geven, dat men gevende kan blijven; die geeft {van) wat hij heeft, is waardig dat hij leeft;
— geven is eene eer en houden een profijt, (ook) is geven eene eer, houden is een profijt;
— van geven valt mijn haar uit, zegswijze van hem die geen lust heeft iets te geven;
— iets ten beste geven, ten voordeele van anderen, ten algemeenen nutte aan het slot van zijne voordracht gaf de spreker nog eenige opmerkingen ten beste;
— op dat avondje gaf zij een lied ten beste, zong zij een lied;
— overgeven: geef hier dat potlood !;
— reden, rekenschap, verklaring van iets geven, afleggen;
— iem. gelijk geven, getuigen dat hij gelijk heeft, zie GELIJK
— het spel (iets) gewonnen geven, verloren geven, het opgeven
— zich gewonnen geven, ongelijk bekennen;
— zich gevangen geven, zich (aan den vijand, aan het gerecht) overgeven
— zich bloot geven, zich niet gedekt houden in den strijd, (fig.) onvoorzichtig zijn tegenover zijne bestrijders enz.;
— een werk in het licht geven, doen verschijnen, uitgeven;
— ten prooi, ten prijs, ten spel geven, opgeven, overgeven;
— (Zuidn.) zich ten onder geven, zich onderwerpen;
— van zich geven, van zich doen uitgaan de zon geeft licht; de kachel geeft veel warmte; den geest geven, den laatsten snik geven, sterven;
— een schreeuw een slag, een knap geven;
— vuur geven, een schot lossen (met een vuurwapen);
— (Zuidn.) het geeft mij wonder, ik ben er benieuwd naar, (ook) het verwondert mij.