Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 13-09-2018

Kennen

betekenis & definitie

KENNEN, (kende, heeft gekend), eene juiste voorstelling van iets of iem. hebben, iem. of iets weten te onderscheiden van anderen kent ge den heer A. ?; ik ken hem van aanzien;

— ik hen hem heel goed; door en door, van zeer nabij, op mijn duim;
— wij kennen elkaar heel goed;
— aan zijn langen baard is hij gemakkelijk te kennen;
— iem. van haar noch pluim kennen, hem heelemaal niet kennen
— iem. niet willen kennen, hem niet meer groeten, geen omgang, betrekking met hem willen hebben
— aan de vruchten zult gij den boom kennen; (spr.) men kent den vogel aan zijne veeren;
— hij kent den slaap niet meer, weet niet meer, wat dat is, kan haast niet meer slapen;
— hij kent geen gevaar, laat zich daardoor niet weerhouden; als zijn eigenbelang op ’t spel staat, kent hij niemand, behandelt hij allen als vreemden; geen medelijden kennen, toonen die niet te bezitten;
— in dat gezin kent men geen geluk, alles loopt hen tegen;
— in Arabië kent men geen sneeuw, daar sneeuwt het nooit;
— geen koude kennen, het altijd even warm hebben;
— van nabij met de goede en slechte eigenschappen van iem. of iets op de hoogte zijn, die weten laat je niet met hem in, ik ken hem, ik weet wat je aan hem hebt;
— hij kent Parijs al lang;
— leer mij de menschen niet kennen, vertel mij maar niets van hun slechte eigenschappen; ik heb hem leeren kennen, n. l. zijn slechte eigenschappen; iem. die de wereld kent, die veel ondervinding heeft opgedaan; hieruit blijkt, dat hij zijn volkje kent, dat hij weet, hoe men het moet aanleggen, om het hun naar den zin te maken; zich doen kennen, toonen wat men is hij heeft zich als een bekwaam man doen kennen;
— zich laten kennen, in ongunstigen zin meestal: hij laat zich daaraan kennen;
— hij liet zich aan een armen gulden kennen, toonde zich in zijn waren aard (n. l. dat hij gierig, of inhalig is); (ook) liet blijken dat hij te arm was om dien te betalen of te geven;
— van iets een duidelijk begrip hebben, het weten, het geleerd hebben hij kent de letters nog niet; ik ken mijne les; van buiten kennen; iets op zijn duimpje (of op een prikje) kennen;
— eene wetenschap of kunst kennen;
— hij kent geene a voor eene b, kan geene a van eene b onderscheiden, is heel dom;
— ik ken niemand zoo slecht als den ondankbare;
— zij kent de kracht der verleiding, -weet hoe sterk de verleiding is; hij zal de kracht van mijn arm leeren kennen;
— zichzelven niet meer kennen, overmoedig worden, (ook) buiten zichzelf van toorn zijn
— (spr.) ken u zelven, opschrift van het Isisbeeld in Oud-Egypte, en van den tempel te Delphi;
— (gew.) hoe hij dat heeft willen doen, (dat) ken ik niet, begrijp ik niet, gaat mijn verstand te boven
— erkennen, de rechten van iem. erkennen, hem raadplegen hij mag niets doen, zonder den burgemeester vooraf te kennen; ik ben in deze zaak niet gekend, men heeft er mijn meening, mijn advies niet over gevraagd; men heeft het buiten mij om behandeld, of beslist.