Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Wel

betekenis & definitie

Het begrip wel heeft 5 verschillende betekenissen:

1. wel - WEL, v. (-len), (org.) deel dat den toets met de klep eener pijp verbindt;
— (timm.) deel eener traptrede dat over het daaronder staande stootbord heenloopt.

2. wel - WEL, v. (-len), bron, plaats waar water uit den grond opkomt;
— gewone waterstand onder den grond. WELLETJE, o. (-s).

3. wel - WEL, bn. bw. (beter, best), goed in orde, zooals het behoort, waarop niets te zeggen valt, waaraan niets ontbreekt: hij heeft mij niet wel behandeld; (spr.) die wel doet, wel ontmoet; doe wel en zie niet om, doe het goede zonder op de gevolgen te letten, zonder dank of lof daarvoor te wachten ; ziet gij wel, dat ik gelijk heb 2 ;
vrij wel, tamelijk ;
— wel bekome het u, een wensch na het eten of na het niezen ;
— wel te rusten, wensch bij het slapen gaan, het scheiden ’s avonds laat;
— iem. wel mogen lijden of zetten, genegenheid voor hem hebben;
— hij heeft het er wel, hij heeft het daar goed. naar wensch ;
— het wel hebben, er wel aan toe zijn ;
— wel varen, er warmpjes in zitten, een goed bestaan hebben;
— indien ik het wel heb, als ik mij niet bedrieg;
— ’t is wel, eene uitdrukking waarmede men te kennen geeft, dat men iets goedkeurt, iets toestemt, of ook dat men iem. begrijpt;
— dat weet gij wel, dat weet gij heel goed ;
— met betrekking tot iemands gezondheid: gezond, in een behoorlijken staat, aangenaam, gelukkig: ik ben niet wel; hij voelt zich nu wel, niet al te wel;
— het gaat hem wel, hij scheelt nogal niets;
— niet wel bij het hoofd zijn, niet goed wijs zijn ;
— wel te moede, welgemoed;
— om aan iets meer kracht bij te zetten, zoodat er niets tegenin te brengen is ; ja wel, hij zal het wel doen; wel zeker, dat doe ik; daar is nog wel plaats; heden niet, maar morgen wel;
— in toegevenden zin: hij heeft wel een hoofd, maar geen hersenen; hij is wel rijk, maar niet gelukkig; het is wel waar dat ik het beloofd heb, maar het is mij onmogelijk ie komen;
— vermoeden of twijfel wordt uitgedrukt in : hij zal wel niet komen, waarschijnlijk komt hij niet; gij zult wel moe zijn, wel honger hebben; hij zal het wel niet met opzet gedaan hebben; kunt gij 't wel doen ? zijt ge wel in staat om het te doen ?;
— ik heb hem wel in geen drie jaar gezien;
— bij betrekkingen van getal, maat en tijd: ten naasten bij, ongeveer: dat zijn er wel honderd; dat weegt wel 4 KG.; dat is wel een uur geleden ; die stad ligt wel een uur ver ;
— ter inleiding eener vraag : wel ? hoe denkt gij er over ?; wel! wat zegt gij daarvan ?;
— somtijds wordt het gebruikt in plaats van waarom, waarom niet, hoe zoo niet waar, : ik kon mijne les niet leeren, wel ?; gij gelooft mij niet , wel ?

4. wel - WEL, o. het wel en wee des levens.

5. wel - WEL, tw.; wel! wat hebt gij te zeggen ?; wel! wat heeft hij u geantwoord ?; wel, wel !; ik zou hem alles geven wat hij vraagt ? ja wel! (morgen brengen); wel hem (gelukkig hij), die ’t vaderland meer dan zichzelf bemint.