Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Eten

betekenis & definitie

Het begrip eten heeft 2 verschillende betekenissen:

1. eten - ETEN (at, heeft gegeten), nuttigen, voedsel nemen;
— (spr.) iemands brood eten, bij iemand in dienst zijn;
— het genadebrood, bij iem. eten, uit medelijden van hem den kost krijgen;
— hij kan meer dan brood eten, hij weet veel, hij kan meer dan men hem zou aanzien;
— zijn woord eten, zijn gezegde intrekken, terugnemen; (ook) zeer onduidelijk spreken;
— daar kan men niet van eten, aan beloften heeft men niets;
— wiens brood men eet, diens woord men spreekt;
— het zijn profeten, die brood eten, zie BROOD;
men zou er wel van kunnen eten, gezegd als iets buitengewoon schoon is (b. v. eene stoep, eene gang);
— de kaas zich niet van het brood laten eten, zie BROOD;
— eten en drinken is geen ambacht. er moet ook gewerkt worden;
— den pot koken zooals men hem eten wil, naar goeddunken handelen;
— zijn witte brood eerst eten, zie WITTEBROOD veel letters gegeten hebben, veel gelezen hebben;
dat eet geen brood, daar is geen verlies bij te wachten, het kost niet aan onderhoud;
die machine eet veel kolen, gebruiken, noodig hebben
— dat eet tijd, vraagt, vereischt veel tijd.

2. eten - ETEN o. spijs, voedsel; maaltijd;
— na den eten, na den maaltijd;
— onder den eten, tijdens den maaltijd.