Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

WATER

betekenis & definitie

WATER - o. (-s, -eren), eene over de geheele aarde verbreide vloeistof die, als zij zuiver is, geen kleur, reuk of smaak heeft en uit 1 volume zuurstof en 2 volumen waterstof bestaat: water om te drinken, te koken, te wasschen; zuiver, gedistilleerd water;

— hard water, bronwater;
— zacht water, regen- en rivierwater;
— zout water, waarin zout opgelost is, in tegenst. daarmee zoet water, drinkbaar water;
— brak water, vermenging van zoet en zeewater;
— frisch, helder, klaar water; water uit de bron, de pomp, de zee; een emmer, een glas, een druppel water;
— de zon haalt water, schijnt zoo bleek dat men regen kan verwachten;
— het schip krijgt water in, heeft een lek;
— bloemen in het water zetten, om ze frisch en fleurig te houden;
— iets uit het water eten, alleen gekookt en met niets anders toebereid;
— op water en brood zitten, in de gevangenis zitten en niets dan water en brood krijgen;
— zij gelijken op elkander als twee druppels water, zij gelijken volkomen op elkander;
— (in spr.) zij is zoo gauw als water, zij is erg bij de hand;
— water in de zee dragen, onnoodig werk verrichten;
— dat kan al het water van de zee niet afwasschen, dat is niet tegen te spreken, (ook) daaraan is nu niets meer te veranderen;
— veel water om iets vuilmaken, veel onnoodigen omslag maken;
— het is of mij een emmer {koud) water over den rug gegoten wordt, ik ben zeer huiverig-, dat is eene geduchte ontgoocheling;
— zich aan koudwater branden, overal zwarigheden in zien;
— ’t was of ik water zag branden, ik stond uiterst verwonderd te kijken;
— zij zijn als water en vuur, het zijn gezworen vijanden;
— water in zijn wijn doen, zich een weinig temperen, zijne eischen verminderen; (ook) meer door de vingers zien, toegeven, meer verdragen;
— het is water en melk, flauwe kost;
— het is water en wind, geene voedzame spijs;
— regen : er is veel water gevallen; het water des hemels;
— eene min of meer groote hoeveelheid water in slooten, meren, rivieren, kanalen enz., inz. als vaarwater : de binnenwateren, de waterwegen binnen de grenzen van het land; de buitenwateren; een klein, groot, smal, diep water; in diep water zijn, in de volle zee;
— te water reizen, een weg per schip of boot afleggen;
— een schip te water laten, van stapel laten loopen;
— te water gaan, gaan zwemmen;
—iem. uit het water halen, een drenkeling redden;
— het water treedt buiten de oevers, overstroomt de omstreken;
— al het land staat onder water, is overstroomd;
— een land onder water zetten, laten overstroomen, inz. ter verdediging;
— open water, niet bevroren, in tegenst. met dicht water, dat toegevroren is;
— met betrekking tot de zee : hoog water, vloed;
— laag water, ebbe;
— hol, verbolgen water, onstuimige zee;
— slecht water, kalme, effen zee;
— stil water, tusschen vloed en ebbe;
— (in spr.) zoo gezond als een vischje in het water, zeer gezond;
— leven als een vischje in het water, onbekommerd, zeer gemakkelijk;
— in zulk water vangt men zulke visschen, van zulk slag van volk moet men zulke dingen verwachten, (ook) van zulke daden heeft men zulke gevolgen te wachten;
— in troebel water is het goed visschen, zie TROEBEL;
— de zotten dragen het water uit en de wijzen vangen de visch, moeite voor iets doen, waarvan anderen de voordeelen genieten;
stille waters hebben diepe gronden, die het minst spreken, zijn dikwijls het slimst;
— als het water stil staat, stinkt het, wie niets doet, vervalt tot kwaad;
hij kan niet de zon in het water zien schijnen, hij is gauw wangunstig, afgunstig;
dat is water op zijn molen, dat dient hem;
— als het water iem. in den mond loopt, leert hij eerst zwemmen, in den nood leert men zich inspannen en behelpen;
— Gods water over Gods akker laten loopen, zich om niets bekommeren;
— waar de dijk het laagst is, loopt het water het eerst over, rampen treffen arme lieden het eerst;
— het water loopt altijd naar zee, rijke of gegoede lieden krijgen vaak groote voordeelen ;
— over het water wonen ook menschen, gezond verstand treft men overal aan;
— die partij is in het water gevallen, is mislukt;
— zijn geld in het water gooien, onnoodig, nutteloos uitgeven;
— het water komt hem tot aan de lippen, de nood is bij hem hoog gestegen;
— zich met moeite boven water houden, ternauwernood zich redden kunnen;
— boven water en wind zijn, binnen zijn, boven Jan zijn, buiten gevaar, in goeden doen verkeeren;
— tusschen water en wind, juist aan de waterlijn; tusschen water en wind zijn, weifelen, geene partij kiezen;
— hij is weer boven water gekomen, hij is weer teruggekomen, na lang afwezig geweest te zijn enz.; in die wateren treft men veel noordenwind, kruisen zeeroovers;
— spijkers op laag water zoeken, zie SPIJKER;
— verschillende waterachtige bestanddeelen uit het lichaam, als tranen, zweet, urine enz. : hare oogen stonden vol water, vol tranen ; zich tot water schreien, lachen, hevig schreien, lachen;
— het water liep hem Langs het gezicht, den rug, het zweet;
— zijn water loozen, wateren ; zijn water laten loopen, onwillekeurig loozen ; hoog water hebben, moeten wateren; pijn op het water hebben, pijn gevoelen als men watert; iemands water bekijken;
— waterzucht: hij heeft het water; het water in de knie hebben, het lidwater; men heeft hem het water af getapt;
— het water komt mij in den mond, ik watertand, heb een hevig verlangen naar;
— de bevalling is ophanden, het water is reeds gebroken, het vruchtwater;
— vloeistof die er meer of min als water uitziet: reukwateren, welriekende wateren; minerale wateren; gedistilleerde wateren, sterke dranken; hij is onder water, hij is beschonken; (ook) hij is op sjouw, aan den rol;
— (nijv.) golvende weerschijn van geweven stoffen : het water van dat moor is bijzonder fraai;
— glans, helderheid : diamant van het eerste, zuiverste water', (fig.) roever van het eerste, zuiverste water, in hoogen graad. WATERTJE, o. (-s).