Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Waar

betekenis & definitie

Het begrip waar heeft 4 verschillende betekenissen:

1. waar - WAAR - v. (waren), koopmansgoed, handelsartikel : zijne waren uitstallen; goede waar verkoopen;
— (fig.) goede waar prijst zichzelve, wat goed is, behoeft geene aanbeveling;
— zijne waar aan den man weten te brengen, goed verkoopen, hoog doen waardeeren;
— alle waar is naar zijn geld, het goedkoope kan men niet zoo degelijk verwachten als het dure.

2. waar - WAAR - bn. niet valsch, echt; iets als waar aannemen; iem. iets voor waar vertellen;
— (is het) niet waar ?, vraag die de bevestiging door een ander uitlokt;
— dat blijft eeuwig waar; zoo waar als tweemaal twee vier is, het is aan geen twijfel onderhevig :
— zeker, waarlijk wezenlijk: een waar vriend; het ware geloof hebben; de ware liefde alleen maakt gelukkig; de ware oorzaak is wat anders;
— de ware tijd, zie TIJD;
dat is de ware (behoorlijke, geschikte) plaats voor die schilderij;
— rechte : ’t is een ware losbol, deugniet,
— , bw. (gemeenz.) zoo waar (als) ik leef; zoo waar als (ik) hier sta; zoo waar als God leeft; zoo waar (waarlijk) helpe mij God almachtig;
— dat is je ware,

3. waar - WAAR - bw. ter plaatse, op welke plaats ? waar woont hij ?

4. waar - WAAR - voegw. het dorp waar hij geboren is; waar ik altijd mijn best gedaan heb, is zoo’n verwijt zeer hard.