Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

VRIJ

betekenis & definitie

VRIJ - bn. bw. (-er, -st), zonder alles wat als eene beperking, belemmering, dwang, verplichting gelden kan; hij leeft vrij van zorgen, onbezorgd; een paard vrij van gebreken; vrij van belasting, van schuld, geene belasting, schuld te betalen hebben ; hij heeft vrij vuur en licht, behoeft dat niet te betalen;

— vrij wijn en bier, opschrift der Oudhollandsche herbergen; nu is hij vrij van koorts, zonder koorts;
— hij bleef vrij van straf, kreeg geene straf;
—vrij van dienst hebben, geen dienst moeten verrichten;
— een vrij uur, een vrije dag, waarop men niets te doen heeft, waarop men vrijaf heeft;
— iem. op vrije voeten stellen, zoodat hij gaan kan waarheen hij wil, inz. iem. uit de gevangenis ontslaan;
— de handen vrij hebben, zich vrij, ongehinderd bewegen kunnen;
— den doorgang vrij maken, beletselen verwijderen;
— aan iets den vrijen loop laten, in niets belemmeren (aan zijne gedachten, tranen enz.);
— (nat.) de vrije val der lichamen, zie VAL;
— een vrij uitzicht hebben, onbelemmerd ;
— het vrije veld, waarin niets het uitzicht belemmert, het open veld ;
— onder den vrijen hemel, onder den blooten hemel;
die kamer is vrij, niet betrokken, niet in gebruik genomen, (ook) daar kan men vrij spreken ;
— een huis vrij op naam, dan betaalt de kooper de overdrachtskosten ;
— een vrij huis, onbelast, onbezwaard, (ook) dat op zichzelf staat, niet aan andere verbonden is;
— (plantk.) vrije bloemdeelen, die niet met elkander vergroeid zijn ;
— onbeperkt in zijn doen en laten: een vrij man zijn;
—de jacht is hier vrij, door niets gebonden ; eene vrije rijksstad, onmiddellijk onder den keizer staande en van andere vorsten onafhankelijk ;
— wij leven in een vrij land, waar iedereen zeer veel vrijheid geniet;
— zoo vrij als een vogeltje in de lucht, zeer vrij, door niets gebonden;
— (recht.) vrij schip, vrij goed, de vlag dekt de koopwaar (in oorlogstijd);
— (sport) een vrije schop ;
— ik ben niet meer vrij, ik heb mijn woord reeds voor iets gegeven, ik heb mij reeds tot iets verbonden, (ook) ik ben reeds verloofd;
— dat meisje is nog vrij, is nog niet verloofd;
— zij heeft nog twee dansen vrij, te vergeven;
— zich vrij loten;
— heeft de mensch een vrijen wil ?, is hij in zijn willen geheel onbeperkt ? ;
— dat staat u vrij, kunt ge doen naar ge verkiest;
— hij had de vrije keus, niets oefende daarop invloed uit;
— vrije arbeid, tegenst. van gedwongen of contractarbeid ; het recht der vrije gedachte;
— de vrije gemeente, godsdienstige vereeniging zonder dogmatischen grondslag ;
— vrije liefde, huwelijksleven zonder burgerlijke of kerkelijke echtverbintenis;
— iem. de vrije hand laten, hem in niets binden ;
— gij kunt hier vrij spreken, behoeft u door niets te laten weerhouden;
— vrij denken, zonder vooroordeelen ;
— eene vrije houding aannemen, vrijmoedig, vrijpostig ;
— vrij met iem. omgaan, zonder plichtplegingen;
— niet te vrij, zei de deern, niet te familiaar ;
— vrij zijn, vrijmoedig ;
— een vrije stijl, ongedwongen ;
— vrije verzen, van verschillende versvoeten;
— de vrije kunsten, (in de middeleeuwen) de kunsten der vrije mannen, n. l. spraakkunst, muziek, sterrenkunde enz. ;
— iets vrij vertalen, niet woordelijk ;
— tamelijk, redelijk: dit artikel is vrij lang; zij is vrij leelijk; dat is vrij hoog. ( Vrij vormt met een groot aantal ww. scheidbare samenstellingen, waarvan alleen de voornaamste opgenomen zijn).