Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-09-2018

Begrip

betekenis & definitie

BEGRIP, o. (-pen), het opvatten met het verstand, bevatting vlug, langzaam van begrip zijn, vlug, langzaam iets begrijpen;

— het begrip komt met de jaren, het verstand;
— de samenvatting van een aantal kenmerken tot ééne eenheid, algemeene voorstelling het begrip h o n d, z o o g d e r; heeft men zich een juist begrip van eene zaak gevormd, dan zal men geen scheef oordeel vellen;
— de inhoud van een begrip, het aantal kenmerken;
— de omvang van een begrip, het aantal voorwerpen die er aan , voldoen; hoe grooter omvang een begrip heeft, hoe kleiner inhoud, en omgekeerd; z w a a r t e is een afgetrokken begrip:
— rede-, ervaringsbegrippen (empirische), door redeneering, door de ervaring verkregen;
—kunstbegrippen, willekeurig aan genomen begrippen omtrent eene of andere kunst;
— transcendentale begrippen, bovenzinnelijke, als die van God en eeuwigheid;
— en ruim, kort begrip van iets hebben, het in ruimen, beperkten zin opvatten;
— geen flauw begrip van iets hebben, het in het geheel niet begrijpen, geen voorstelling ervan hebben;
— ik kan er maar geen begrip van krijgen, ik kan het maar niet begrijpen;
— dat gaat mijn begrip te boven, daar kan ik met mijn verstand niet bij, dat is mij te vreemd, te zonderling;
— iem. eenig begrip, een kort begrip ergens van geven, het hem in algemeene trekken duidelijk maken;
— duidelijke, verwarde, positieve, negatieve begrippen;
— kort begrip der aardrijkskunde, beknopte handleiding; inz. een kort begrip der christelijke leer.