Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-09-2018

Bron

betekenis & definitie

BRON, v. (-nen), het vanzelf uit den grond opwellende water, (ook) de plaats waar dit opwelt, de natuurlijke opening in den grond (wel te onderscheiden van eene door kunstmiddelen opspringende fontein en van een gegraven of geboorden en gemetselden put); water aan of uit de bron putten; (fig.) de bron is opgedroogd, dat levert geen voordeel meer op;

— eene onreine bron kan geen rein water opgeven, uit onreine beginselen kunnen geene goede daden voortvloeien;
— heete bron, wanneer er warm, heet of kokend water opborrelt;
— intermitteerende bron, bron die slechts van tijd tot tijd vloeit;
— zwavelbron, magnesiumbron enz., bron waarvan het water zwavel enz. bevat;
— gezondheidsbron de bronnen van Karlsbad;
— verschillende stroompjes die den oorsprong eener rivier zijn de bronnen van den Nijl, van den Ganges;
— (fig.) aanleiding, oorsprong, oorzaak: dit is de bron van al mijn lijden; eene bron van vreugde;
— hij heeft het uit goede bron, van vertrouwbare zijde;
— werken die men raadpleegt, waaruit men put; die schrijvers waren mijne bronnen;
— eene bron van inkomsten, iets waaruit men inkomsten verkrijgt;
— bronnen van bestaan, middelen van bestaan; ook de handel is eene bron van welvaart. Zie HENGSTEBRON, HULPBRON.