Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Gelijk

betekenis & definitie

Het begrip gelijk heeft 4 verschillende betekenissen:

1. gelijk - GELIJK, bn. bw. (-er, -st, of meer-, meest-), geheel met elkander overeenkomende wat betreft zekere hoedanigheden met gelijke wapenen strijden; beide legers waren gelijk in macht en in moed; zij was een duifje gelijk, zoo onschuldig;
— gelijken tred, gang, koers met iem. of iets houden, even snel voortgaan, iem. of iets in zijne beweging bijhouden, (ook fig.);
— (spr.) gelijke monniken, gelijke kappen, menschen van ééne soort hebben dezelfde rechten, moeten op dezelfde wijze behandeld worden;
— iem. met gelijke munt betalen, hem op eene dergelijke wijze bejegenen, als hij het den ander gedaan heeft;
— overeenkomende in rang, stand of macht: de menschen zijn niet gelijk, er is meer en minder;
— gelijke huwelijken, huwelijken tusschen personen van denzelfden stand;
— een gelijke strijd, een strijd tusschen personen die tegen elkander opgewassen zijn;
— overeenkomende in rechten en plichten alle burgers zijn voor de wet gelijk;
— gelijke schuldeischers, zij die bij een faillissement geen voorrecht boven anderen hebben; -
— (van uurwerken) overeenkomende met den waren tijd, den juisten tijd aanwijzende; mijn horloge is, gaat, loopt gelijk; (ook) ik ben precies gelijk;
— onderling gelijk, even groot, dezelfde, hetzelfde in gelijke mate, in even groote mate;
— op gelijken voet, op denzelfden voet;
— zaken van gelijke waarde, dezelfde waarde;
— zij krijgen eene gelijke portie, evenveel;
— van gelijk gewicht, even zwaar, even belangrijk;
— te gelijker tijd, terzelfdertijd;
— het is mij gelijk, geheel hetzelfde, om het even, onverschillig;
— zich zelven steeds gelijk blijven, in al zijn doen en laten dezelfde blijven;
— (wisk., van twee grootheden waarin eene gemeene maat evenveel malen is begrepen): driehoeken met gelijke basis en gelijke hoogte zijn gelijk van inhoud, hebben denzelfden inhoud;
— twee begrensde vlakken die elkaar geheel bedekken zijn gelijk en gelijkvormig;
— tweemaal twee is gelijk vier (2X2= 4), evenveel als vier;
— elfen, vlak, vrij van oneffenheden: de weg is allesbehalve gelijk, er zijn groote kuilen in; die steenen liggen niet gelijk; een gelijke draad, die overal even dik is;
— met den grond gelijk maken (van gebouwen, vestingwerken enz.), ze slechten, sloopen, tot op den grond afbreken;
— gelijk van humeur, altijd hetzelfde humeur bezittende, zonder luimen of grillen;
— bw. (van wijze) op gelijke wijze die kinderen zijn gelijk gekleed; de viool is gelijk gestemd met de piano;
— gelijkelijk gelijk deelen, gelijk op deelen;
— gelijk op spelen, niets winnen en niets verliezen;
— gelijk op studeeren, werken, op dezelfde wijze, met dezelfde snelheid, zoodat men gelijk blijft: gelijk op varen, roeien, zeilen;
— bunderbundersgelijk, pondspondsgdijk (bij het aanslaan in dijks- of polderlasten), in verhouding tot, naar mate van het aantal bunders dat ieder bezit, of het aantal schotponden waarop hij gezet is;
— bw. (van plaats) op hetzelfde punt, even ver in verhouding tot elkaar de hardrijders bleven lang met elkander gelijk; de schepen zijn nu nog gelijk, maar dat zal niet zoo blijven;
— bw. (van tijd) op denzelfden tijd, te gelijk: de twee treinen kwamen juist gelijk aan;
— (gew.) dadelijk, meteen het begint gelijk weer;
— bw. (van graad) (gew.) in dezelfde mate, evenzeer zij zijn gelijk arm;
— (bijb.) gelijk als, even als;
— gelijk vormt met vele werkw. samenstellingen die dan beteekenen: door de werking gelijk, effen magen eenige zijn maar opgenomen].

2. gelijk - GELIJK o. het bn. zelfstandig gebezigd: gelijk met gelijk vergelden, iets met gelijke munt betalen;
— (spr.) (w. g.) gelijk mint (of zoekt) gelijk, al wat onderling overeenkomt, gevoelt zich tot elkaar aangetrokken, soort zoekt soort;
— er is meer gelijk dan eigen, gelijkenis bewijst nog geene indentiteit of verwantschap;
— men ziet daar boom noch booms gelijk, geen enkelen boom;
— iets in ’t gelijk spreken, het goed praten, misverstand wegnemen; (ook) iets vergoelijken;
— (gew.) gij moet in ’t gelijk spreken, onpartijdig oordeelen of uitspraak doen;
— iets in het gelijk brengen, het in ’t effen brengen, redderen hij zal dat verwarde zaakje wel in ’t gelijk brengen;
— in het gelijk breien, (van breiwerk) eene der naalden juist tot op de helft afbreien, zoodat men het werk behoorlijk kan oprollen;
— gelijk hebben, groot, deugdelijk, volkomen gelijk hebben, in een gegeven geval de billijkheid vóór zich hebben, billijk en verstandig handelen hij heeft groot gelijk, dat hij het niet doet;
— (ook) eene meening uiten, die met de waarheid overeenkomt gij hebt gelijk, mijn oordeel was overijld;
— je hebt het grootste gelijk van de wereld, van de vischmarkt, spottend gezegd tegen iem. met wien men niet langer wil redetwisten;
— hij wil altijd gelijk hebben, nooit toegeven dat hij zich misschien vergist;
— iemand (groot) gelijk geven, erkennen dat hij in het gegeven geval goed of naar behooren handelt;
— de uitkomst heeft hem in ’t gelijk gesteld, bewezen dat hij gelijk had;
— hij kreeg van iedereen gelijk, allen stemden met zijne bewering in;
— (ook) allen keurden zijne handelwijze, zijn optreden goed;
— bij gelijke, (Zuidn.) bij voorbeeld;
— van gelijke(n), van ’s gelijken, evenzoo, op dezelfde wijze; inz. bij het beantwoorden van een wensch of groet; (ik wensch u) hetzelfde;
— te gelijk, te gelijker tijd, op hetzelfde oogenblik: men kan geen twee dingen te gelijk doen; ze schreeuwden allen te gelijk; laat slechts één persoon te gelijk binnen.

3. gelijk - GELIJK vw. evenals, als bleek gelijk de dood; stamelen gelijk een kind; hij is zenuwachtig, gelijk zijn vader was; gelijk in den hemel alzoo ook op de aarde;
— (spr.) gelijk de waard is, vertrouwt hij zijne gasten, anderen beoordeelt men naar zich zelf;
— als ’t ware hij kwam gelijk op vleugelen aangesneld;
— (Zuidn.) terwijl, te gelijk dat: gelijk ik nu door de duisternis mij voortspoedde, zag ik twee vurige oogen op mij gericht.

4. gelijk - GELIJK, (Zuidn.) vaak overtollig gebruikt en ongeveer gelijk staande met dus, bijgevolg: hij is gelijk alweer zat hij is gelijk ziek geweest ze heben hem gelijk aan de deur gezet; zich nergens mede moeien, is gelijk nog het beste; zie ook LIJK.