Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Vast

betekenis & definitie

bn. bw. (-er, meest —),

1. in zijn delen sterk samenhangend, niet los: dat hout is nogal vast; vast deeg, stijf ineengewerkt; vaste kaas, droge kaas; een vaste rots; (bouwk.) vaste grond, waarin een fundering op staal kan worden toegepast; (de) vaste grond onder de voeten hebben; de vaste wal, in tegenstelling met de zee: het vaste land
2. dicht: een vast weefsel; vast laken.
3. niet vloeibaar of gasvormig: vaste lichamen; water wordt beneden 0C vast; vast voedsel, vaste spijzen; vaste vitrioololie, watervrij zwavelzuur, een droge bijtende stof, die bij aanraking met water een verstikkend gas afgeeft; — (nat.) vaste oplossingen, ben. voor oplossingen van vaste stoffen in andere vaste stoffen, b.v. tin in koper.
4. niet beweeglijk: een vast punt; vaste bruggen, niet beweegbare bruggen, waarvan boven- en onderbouw één geheel uitmaken; een vaste stuw in een rivier, tgov. een beweegbare stuw; een vast blok, blok in een takel dat aan een vast punt is bevestigd: een vaste wastafel: — (zegsw.) dat is zo vast als een muur, zeer onbeweeglijk; ik zit zo vast als een muur, ik zie geen uitweg, geen uitkomst; — vaste sterren, die zo oneindig ver van ons afstaan, dat de banen die zij beschrijven in het niet vallen, zodat zij een onveranderlijke plaats schijnen in te nemen; in tegenst. met kometen en planeten: — onroerend: vaste goederen: — hij verkoopt alles wat los en vast is. (eig.) zijn roerende en onroerende goederen; (thans) alles wat hij maar heeft: — vaste planten, waarvan de wortels blijven leven, overblijvende: veel onkruiden zijn vaste planten.
5. hecht, stevig: een vaste slaap, een diepe slaap, waaruit men niet gemakkelijk wakker wordt: vast slapen; — vast liggen, op het water b.v.; een vaste gezondheid genieten; met vaste tred;een vaste hand van schrijven hebben, kloek, niet beverig; — (zegsw.); hij rijdt een vaste schaats, hij is zeker van zijn zaken; — met vaste stem; — onwrikbaar: een vast geloof, vertrouwen, hoop: het is mijn vaste overtuiging, ik geloof stellig; — een cast besluit, waarvan men niet afwijkt.
6. versterkt: een vaste plaats, een vesting; vaste legerplaatsen.
7. stevig bevestigd, gebonden enz.: de deur is vast. gesloten; de hond ligt vast; het ijs zit vast; dat touw, die knoop zit vast: daar zal veel aan vast zijn, dat zal veel moeite kosten, zorg baren; ook: daar is veel aan te verdienen; — daar zit meer aan vast dan je denkt, dat is moeilijker, ingewikkelder enz. dan je denkt; — (fig.) iets vast hebben, a. beet hebben: b. het begrijpen, vatten; — (zegsw.) vast in ’t zadel zitten. zie bij Zadel; — (boekb.) vaste rug, waarbij de katerns der bladen op het leer, van de buitenzijde bevestigd zijn.
8. zeker, stellig: vast beloven; een vaste belofte; je kunt er vast op rekenen; het gaat vast sneeuwen; stijf en vast beweren , ten stelligste; —ik. heb het voor vast gehoord, voor waarheid; — vast en zeker, zeer zeker.
9. niet wisselend, bestendig: vast weer; — een vaste feestdag, die steeds op dezelfde datum valt, b.v. Kerstmis; — vaste prijzen, niet veranderlijk, waarop men niet kan afdingen; de koffie vast (in een marktbericht), de hoogste en laagste prijzen liepen weinig uiteen; aan de beurs heerst een vaste stemming als de koersen weinig neiging tot stijging vertonen; vaste limiet, de koers opgegeven door de cliënt aan de commissionair in effecten, waarboven de kooporder of waar beneden de verkooporder niet mag worden uitgevoerd; — vast recht, a.

het gedeelte van de vrachtprijs dat verschuldigd is voor de dienstprestaties op afzending- en ontvangstation: b. onveranderlijke som die men voor verbruik van gas, electriciteit enz. betaalt, waardoor het tarief voor verbruik boven een bep. hoeveelheid voordeliger wordt; — een vaste kleur, die niet verschiet; — een vast karakter, dat zichzelf gelijk blijft; — op een vast uur, bepaald, geregeld; — dat is een vast mopje van hem, een mopje dat hij telkens weer vertelt; — blijvend, duurzaam: een vaste, woning, in tegenst. met tijdelijke;vast kapitaal, goederen die zich lenen tot herhaald gebruik, b.v. machines en werktuigen; — vaste rechtspraak, een door herhaalde uitspraken in gelijke zin gevestigde rechtspraak; — vaste leveranciers, klanten, afnemers, bij wie, resp. aan wie men geregeld koopt, resp. verkoopt; — een vaste aanstelling, betrekking, in tegenst. met tijdelijk; vast werk, vast geld; een vast inkomen hebben; vaste meiden en knechts, die niet bij de dag of de week zijn aangenomen.

10. bw., intussen, onderhand: ik zal vast beginnen; hij ging zich vast kleden: hier heb je al vast een gulden, voorlopig.
11. (veroud. litt. t.) reeds, welhaast: hij is vast met de oudste zoon van de eigenaar in gesprek geraakt (Potgieter).

Opm. Vast vormt met vele ww. scheidbare samenstellingen.