Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Kaas

betekenis & definitie

v. (als stofn.) en m. (als voorwerpsn.) (kazen),

1.bekende spijs, een zuivelproduct bereid uit het dik (wrongel) van gestremde melk: kaas maken; een gewas kaas, de productie van een bep. tijd of plaats ; (als collectief) het genoemde product in vormen zoals het ergens aanwezig is : een partij kaas ; kaas opladen ; — jonge kaas ; belegen kaas ; een stuk kaas ; een boterham met kaas ; een broodje kaas ; — magere kaas, uit afgeroomde melk (minder dan 20 % vet); — vette of zoetemelkse kaas, uit verse of weinig ontroomde melk; volvette kaas, met meer dan 46% vet; — groene kaas, zo geheten naar de kleur, hetzij Zwitserse kaas (uit afgeroomde melk met karnemelk) of Tesselse schapekaas ; — lebbige kaas, een gebrek door het gebruik van te veel stremsel; — verschillende soorten, naar de plaats van herkomst: Hollandse, Leidse, Goudse of Stolkse kaas : Edammer, Limburgse, Zwitserse kaas ; — in zegsw.: hij heeft er geen kaas van gegeten, daar heeft hij geen kennis, ondervinding of verstand van, dat kan hij niet, gaat hem niet af; — hij zal zich de kaas niet van het brood laten halen, eten, wat hem toekomt, zal hij zich niet laten ontnemen ; — (Zuidn.) er zijn kaas bij inschieten, er het leven bij inschieten; — daar heb ik kaas aan, daar heb ik maling aan ; — hij snijdt de kaas, hij is een pronker, een geurmaker ; — hij heeft de boter en de kaas te dik gesneden, hij heeft alles verteerd, opgemaakt; — hij verkoopt kaas, van iem. die een opgevijzelde zaak als waarheid geeft; — hij rijdt met kaas rond, gezegd van een oud man die nog naar de meisjes kijkt; — (gew.) er komen wormen in de (mijn, zijn) kaas, de zaak neemt een slechte wending, zal verkeerd uitvallen ; — Jantje Kaas, Zuidn. spotnaam voor koning Willem I en voor de NoordNederlanders;
2. als voorwerpsnaam : een hoeveelheid kaasstof in een bep., schijf-, bolvormige of andere gedaante, met een korst er om : een plank vol kaze
4. Korstje Kaas, ben. voor de zwartkopmees.