Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Die

betekenis & definitie

I. aanw. vnw. (zelfst. en bijvoegl. ; verbuiging als de, maar gen. mnl. en onz. : diens), duidt in tegenst. met deze aan dat iets verder van de spreker af is, of wisselt ook wel eenvoudig met deze af, zonder dat er van een grotere verwijdering sprake is : ik zal deze boom vellen, maar die oude knaap bij de schutting laten staan; welke bloem wilt ge hebben? deze? of deze? of die? — bij een enkelvoudige aanwijzing, zonder tegenstelling, gebruikt men meestal die : hier heb ik een brief, lees die eens ; in dit geval wordt die steeds gebruikt als er nadruk op gelegd moet worden : deze tabak krijg ik uit A., die moet je eens proberen ; mijn broer is een lepe vos, die laat zich niet beetnemen ; — met ongunstige gevoelswaarde. o, die kinderen! ; die meid is gek ; — zelfst.: o, die? daar trek ik me niets van aan; — die en die, aanduiding van personen wier naam er verder niet toe doet; — die is goed! uitroep na een gehoorde kwinkslag, een bijgewoonde grap ; — in dier voege, met dien verstande, te dien einde enz.; zie op Voege enz.; vgl. verder: indien, bovendien, bijaldien, buitendien, mitsdien, naardien, dienaangaande, diensvolgens enz.; — in de spreekt, ook als overtollige herhaling na het onderwerp : Jan die sloeg Lijsje en Lijsje die sloeg Jan;

II. bepalingaank. vnw. (zelfst. en bijvoegl.): mijn oude tuin en die, welke ik er bij gekocht heb ; mijn kleren en die van mijn broer; die mensen, die altijd de mond vol hebben over anderen, (die) vertrouw ik niet; III. betrekk. vnw. (gen., dat., en acc. na voorz. door vormen van wie vervangen): de mensen die ik spreek met wie ik omga; vertrouwen wij op Hem in wiens hand onze dagen zijn ; — aan ’t hoofd van een bijvoegl. bijzin welks antecedent is weggelaten: die ’t glas gebroken heeft, betaalt het (de spreektaal gebruikt hier door elkaar die en wie).