Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Vallen

betekenis & definitie

(viel, is gevallen),

I. uit een omhoog of hoger gelegen punt een meestal snelle beweging in verticale, of nagenoeg verticale richting aannemen, en zich hierbij aansluitende betekenissen;
1. uit een hoger gelegen punt, tengevolge van de werking der zwaartekracht, in verticale, of nagenoeg verticale richting vrij naar beneden komen: alles laat zij vallen; er viel een brandbom op het dak van de kerk; in het luchtledige vallen alle voorwerpen even snel; — (zegsw.) dat valt op een gansje, zie bij Gans (I); waar men hakt, vallen spaanders, zie bij Hakken; als de hemel valt zijn alle mensen (of mussen) dood, zie bij Hemel; men kon een speld horen vallen, zie bij Speld; dat valt op een gloeiende steen, op een gloeiende plaat, zie bij Gloeiend; het valt op geen blauwe steen, zie bij Steen; (Zuidn.) al vallende leert men rijden, al doende leert men; — (in vaste verbindingen) in de as vallen, mislukken, verloren gaan, niet plaats hebben; iemand op het dak vallen, zie bij Dak: door de mand vallen, zie bij Mand; (Zuidn.) er door vallen, bij het zingen of voordragen een slecht figuur slaan doordat men blijft steken of vals zingt; iets valt iem. in de schoot, hij krijgt het zonder moeite; aan of in stukken vallen; de kan viel aan stukken; door de ben vallen, zie bij Ben (I); iem in de hand vallen; zoals iets uit de hand valt; uit de hand vallen; zie bij Hand; uit de koets vallen, zie bij Koets; uit de lucht (komen) vallen, zie bij Lucht; van de ra vallen, zie bij Ra (I); als een steen op het hart vallen; daar valt mij een steen van ‘t hart, dat is een grote zorg minder; in het stof vallen; van de trappen vallen, zie bij Trap; uit de wolken vallen, zie bij Wolk; — m. betr. t. het zaad dat door de zaaier wordt uitgestrooid en vandaar ook, in aansluiting bij deze gelijkenis, meestal ïn fig. toepassingen: het antwoord viel in goede aarde; — m. betr. t. wat uit de atmosfeer, uit de hemel valt of schijnt te vallen: er viel een fijne motregen; er valt sneeuw, hagel; — (fig.) neerkomen rut een hoge staat of waardigheid: wie hoog vliegt kan diep vallen; zijn aanzien, zijn Invloed zijn gevallen, zijn verminderd;
2. (van jonge dieren) geworpen, geboren worden; meestal als verl. deelw.: Frans VII (een veulen), zoon van Frans I, gevallen uit Maartje; — (vandaar) voortkomen uit, afstammen van: dat van blauwbonte ouders niet zelden witte kalveren vallen met blauwe oorpunten;
3. losgaan en neerkomen: zijn hoofd viel onder de bijl, hij werd onthoofd; bij een schilderij viel de verf van het doek; — (zegsw.) in duigen vallen, zie bij Duig; van de graat vallen, zie bij Graat; de schellen vallen hem van de ogen, zie bij Schel (II); een steek laten vallen, zie bij Steek (5.); — in ’t bijz. m. betr. t. bladeren en vruchten: afvallen: de appel valt van de boom; (spr.) de appel valt niet ver van de boom, zie bij Appel; de bladeren vallen; — m.betr.t. veren, het gewei: uit-, afvallen: het hert laat zijn gewei vallen; — m. betr. t. kledingstukken, boeien enz. : af-, neervallen: zo uw kluisters vielen, het was op mijn gebed; de blinddoek viel u van ‘t gezicht;
4. (kaartsp. )van kaarten: uitgespeeld worden, niet meer in handen zijn: tellen hoeveel troeven er gevallen zijn;
5. (bij uitbr., zonder dat er sprake is van de werking van de zwaartekracht) neerkomen, neervallen: de wind valt zo gunstig mogelijk in de zeilen; de wind valt in de schoorsteen; — m. betr. t. lichtverschijnselen: papa zat te lezen in de serre, waar het meeste licht viel; het licht valt door een opening in ‘t vertrek; — (zegsw.) licht, een zeker licht doen vallen, op, zie bij Licht;
6. (fig.) vervallen, verdwijnen, wegblijven, verloren gaan: iets laten vallen, weglaten, achterwege laten; m. betr. t. plannen of voorgenomen handelingen: er van afzien: hij liet de aanklacht vallen; — m. betr. t. financiële transacties: iets laten vallen van de prijs, een lagere prijs vragen; hij liet een gulden vallen op dat valies;
7. (fig.) van woorden en derg.: gezegd, geuit worden, zodat ze als het ware uit de mond naar beneden komen: hij of zij is van de preekstoel gevallen, zie bij Preekstoel; — van iemands lippen vallen, geuit worden door: de Franse woorden vielen van haar lippen, scherp en vlijmend als naalden; — uit de mond vallen, onverwachts, ongepast gezegd worden; een woord laten vallen, daarvan ongemerkt reppen; een lichtzinnig woord laten vallen;
8. neerkomen, terechtkomen op, in: zij liet een blik vallen op haar verwaarloosde kleding; de schoten welke binnen de cirkel vallen; die moet valt juist in de plooi; op elk aandeel valt een dividend van 30 gulden; — koud vallen op, zie bij Koud; — (Zuidn.) dat valt tussen de plooien, zie bij Plooi; — het oog valt op iem. of iets, het oog laten vallen op, zie bij Oog; — (meetk.) die lijn valt loodrecht op de andere, ontmoet haar rechthoekig; — (m. betr. t. accent, toon enz.) ergens terechtkomen, aangebracht worden; vandaar ook: ergens gelegen zijn: de hulptonen vallen op het lichte maatdeel; de caesuur valt steeds in een versvoet, de diaerese altijd tussen twee versvoeten; — (van het lot, de keuze, of iets dat hierdoor wordt bepaald) op het lot is een prijs gevallen, dit lot, nummer is met een prijs uitgekomen; — het lot, de keuze viel op mij, wees mij aan, men koos mij; het lot valt altijd op Jonas, zie bij Jonas; — op een sloep vallen, roeier zijn van een aangewezen sloep;
9. (fig., in aansluiting bij de voorafgaande bet.) iem. als bezit of erfdeel toekomen, ten deel vallen: bij het overlijden van haar vader viel haar een reusachtig fortuin ten erfdeel; het huis viel aan de oudste zoon; — (zegsw.) te beurt, ten deel vallen, zie bij Beurt enz.;
10. (fig.) als last of plicht toekomen, neerkomen op, het deel worden van: de verantwoordelijkheid hiervoor zal op u vallen; verdenking, schande, schuld valt op iem.; —

op de borst, op het gemoed, op de hals vallen; het viel haar als een drukking op de borst;

11. (fig.) m. betr. t. bepaalde gebeurtenissen, feesten enz.: op een bepaalde dag, in een bepaalde tijd plaats hebben: de vacantie valt in Augustus, is in Augustus; — Kerstmis viel op een Woensdag; het bezoekuur viel net in de schafttijd;
12. m. betr. t. zaken die niet geheel vrij worden losgelaten: in een bepaalde positie, in een aangegeven richting neerkomen: het anker laten vallen; (als commando) vallen het anker!; — een gordijn laten vallen, een optrek-, rolgordijn neerlaten; (ton.) het gordijn valt, zakt, wordt neergelaten om het toneel van de zaal te scheiden; — (zeew.) m. betr. t. een zeil of een vlag, in de verb. laten vallen, en bij verkorting vallen:

a. (van een zeil of vlag) laten zakken, strijken: de zeilen laten vallen; b. (van de fok, nadat zij van de seizings op de ra is losgemaakt) haar loslaten, zodat zij blijft hangen in de geitouwen en wind vangt; ze bijzetten: fok vallen! — m. betr. t. de hand, of tot liet gereedschap dat men hanteert: hij liet de zware klopper op het kleine poortje vallen; zijn gepantserde vuist viel loodzwaar op de schedel van de vijand; — (m. betr. tot klappen, slagen) neerkomen, gegeven worden: er vallen slagen in het leren; er vielen klappen, men werd handgemeen; — (vandaar ook) weerklinken: opeens viel een enkele sonore slag van een prachtklok; het sein valt; er valt een schot;

13. los neerhangen, neerkomen zo als liet toeval wil, zonder dat een mensenhand er iets toe gedaan heeft: haar gitzwart haar valt in krullen op haar schouders; de plooi valt schuins naar achter; een jurkje van soepel vallende shantung; in plooien vallen; — (vandaar van kleren) iem. vallen, iem. op een bep. manier staan, zitten: het jurkje viel haar veel te kort; de japon valt netjes; bij de kraag valt die jas niet goed;
14. (zeew.) in de boot, in de sloep vallen, oorspr. zich uit het schip langs een touw in de boot laten glijden, vandaar: in de langszij liggende roeiboot plaats nemen: (commando) val, val!;

II. tot een lager niveau dalen, naar beneden zakken; in fig. gebruik ook: verminderen, verzwakken, teruglopen;

15. (van vogels, gevleugelde insecten enz.) neerstrijken, neerdalen: de patrijzen waren reeds gevallen; de zwerm viel op een struik; — (van vinken) uit de lucht in ’t hout of van daar op de baan neerkomen;
16. dalen, zakken: de hoed viel hem over de oren; — het water is een voet gevallen; —

(bij eb) men heeft te Vlissingen nog een goede vloed, als het water reeds een paar voet gevallen is; — zie ook Droogvallen; — (zeew.) van het achterschip: met schokken in zee zakken (bij het voorschip daarentegen spreekt men van heien): het schip valt zwaar in de zee;

17. (van hemellichamen, dicht., veroud.) ondergaan: terwijl aan 's hemels glas de zonne wederom gaat vallen in het gras (Vondel);
18. (van de duisternis, de avond, de nacht enz.) neerdalen, neerzijgen: even voor de. schemer begon te vallen; het donker is nog niet gevallen; de avond valt, het wordt schemerdonker; — bij, met, tegen het vallen van de duisternis, de nacht enz.; m. betr. t. stilte, rust enz.: even viel er een stilte; de stilte valt op je;
19. in notering zakken, dalen; — in waarde of prijs dalen, thans alleen m. betr. t. actiën: in één minuut konden de actiën tien percent rijzen of vallen; in prijs vallen; (m. betr. t. prijzen enz.) minder, lager worden: zodra het aanbod de vraag overtrof vielen de prijzen beneden het normale;
20. in kracht afnemen, minder sterk worden; — inz. van de wind, gaan liggen : de wind valt;
21. (fig. van gemoedsaandoeningen) bedaren, tot bedaren komen; thans alleen in Zuidn. schrijftaal, blijkbaar onder invloed van fr. tomber; zijn geestdrift, toorn viel opeens;

III. langs een helling naar beneden komen, naar beneden gericht zijn;

22. (van een waterloop) langs een helling naar beneden komen; — vallen in, uitmonden in: de Main valt in de Rijn ; de Veluwse weteringen vallen bij Hattem in de hoofdstroom;
23. naar beneden gericht zijn, afhellen: de hoek welke de aardlagen, wanneer zij niet waterpas liggen, met de horizont maken noemt men het vallen; — (Zuidn., bij metselaars) welvingsgewijs metselen; de stenen zó leggen dat ze over de voorgaande laag hellen: als men aan de schalmlaag gekomen is, begint men te vallen; — (zeew., van steven en mast) hellen: de achtersteven vielvan zijn hoogte;
24. (van een zeilschip) van de wind afwijken zodat deze meer van achteren inkomt, van de wind gaan, afvallen, in tegenst. met loeven: het schip valt wanneer het de steven afwendt van het punt waar de wind vandaan komt;

IV. omvallen of ineenstorten uit een rechtopstaande positie; in tegenst. met staan;

25. uit de rechtopstaande of zittende positie plotseling en onvrijwillig in een min of meer liggende houding met de grond enz. in aanraking komen: — van personen: hij viel languit op de grond; over een steen vallen; het scheelde weinig of hij viel; — (zegsw.) met vallen en opstaan komt men door de wereld, als men maar volhoudt, bereikt men eens zijn doel; — in de verb.: in onmacht, van zijn stoel, van zijn stokje, in zwijm vallen, bewusteloos worden, een flauwte krijgen: — niet op zijn mond (Zuidn. op zijn tong) gevallen zijn, goed kunnen praten, welbespraakt zijn; — (gewest.) aan twee stukken, in tweeën vallen, in de kraam komen, een kind krijgen; — van zichzelf vallen, bewusteloos worden; — vallen over iem. of iets,

a. (eig.) door er tegen te stoten struikelen; (zegsw.) al kwam ik over hem te vallen, ik zou hem niet herkennen, ik kan hem mij in t geheel niet meer herinneren; hij zou niet spreken, al viel hij over je, het is een onhebbelijk, hooghartig mens; b. (fig.) aanstoot aan iets nemen, er aanmerkingen over maken: elke dag werd hij onverdragelijker, overal viel hij over; over een woord vallen; — (overg.) een gat in zijn knie vallen; zich de arm uit het lid vallen; — van zaken: alle kegels vielen op de eerste worp; — (zegsw.) een boom valt niet met de eerste slag, zie bij Boom (I); aan schilfers, aan of in stukken vallen;

26. (gew.) alleen in de onbep. w., bevallen, in ’t kinderbed komen: zij staat op het vallen;
27. (Zuidn.) van vermoeienis of uitputting bezwijken: ‘t was om er bij te vallen zo vermoeiend was het werk;
28. struikelend (ergens) terechtkomen: in het water vallen; — in een hinderlaag vallen;in een strik vallen; — (in zegsw.) wie een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in, zie bij Kuil:
29. ontkomen, om het leven komen; — op een gewelddadige manier gedood worden; in de strijd sneuvelen: hij viel voor ‘t vaderland; — hij is in de strijd, op Atjeh, bij Wuterloo gevallen; — hierbij ook: er vallen doden, slachtoffers, er worden mensen (in de slag enz.) gedood, sommige mensen moeten het ontgelden; — op het schavot: Egmond en Hoorne vielen voor de zaak der vrijheid; — ten offer vallen; — sterven: als ik kom te vallen is ze voor eeuwig verloren;
30. in brokken naar beneden komen, instorten, inz. van gebouwen: de scheidsmuur doen vallen; — op vallen staan, op het punt van te vallen:
31. (m. betr. t. tot een stad of sterkte) door verovering of overgave in de macht van de vijanden komen: de vesting is gevallen, heeft zich overgegeven;
32. (m. betr. t. een minister of een ministerie) gedwongen zijn ontslag te nemen: het ministerie is gevallen; de gevallen minister van oorlog; — (m. betr. t. de begroting, de motie enz. die door een ministerie wordt voorgedragen) afgestemd, verworpen worden: enkele weken later viel de oorlogsbegroting in de Eerste Kamer;
33. (van een toneelstuk) geen succes hebben bij de eerste opvoering: zijn nieuwe operette is gevallen;
34. toegeven aan de verleiding, zondigen: indien God toelaat dat hij valle; vallen en opstaan: (Zuidn., spr.) vallen en opstaan is geen schande; — in 't bijz.. m. betr. t. de zondeval, de afval van Adam en Eva met de gevolgen: dat Adam viel, lag niet aan Satan maar aan hem; — m. betr. t. een vrouw, zich laten verleiden: zij viel voor de verleiding; zie ook Gevallen; — (zegsw.) van mallen komt vallen;
35. ondergaan, ten onder gaan; — (van personen) van zijn macht, invloed enz. beroofd worden: die koopman stond op ‘t vallen; — (spr.) die meent te staan, zie toe dat hij niet valle (1 Kor. 10 : 12), men vertrouwe niet te veel op zijn geluk, men worde niet te hoogmoedig; — met iem. staan of vallen, vallen of staan; — met vallen en opstaan, met vooren tegenspoed; — (van zaken) vele grote handelshuizen zijn gevallen; het heersen en vallen der Commune;
36. (bijb.) vrijwillig een min of meer liggende houding aannemen; — op zijn aangezicht vallen, neerknielen met het aangezicht naar de grond gekeerd: er was een man vol melaatsheid, en Jezus ziende, viel hij op het aangezicht (Luk. 5 : 12); — op de knieën vallen, zie bij Knie; — te voet vallen, zie hij Voet; — in zijn zwaard vallen, op de punt van het zwaard neerkomen, zich op de punt van liet zwaard werpen;
V. in bet. die zich aansluiten bij of laten afleiden uit die welke vermeld zijn onder IV en die een zich bewegen in een bep. richting aanduiden;
37. zich snel ergens heen begeven, zich op iem. of iets werpen: iem. in de armen vallen, door hem of haar omarmd worden; iem. om of aan de hals vallen, zie bij Hals; met de deur in huis vallen, zonder voorbereiding over iets beginnen te spreken; aan de riemen vallen, zie bij Riem; een schip aan boord vallen, zie bij Boord; van de os op de ezel vallen, van de hak op de tak springen; — (bijb.) vallen tot, overgaan tot: die in deze stad blijft, zal sterven door het zwaard; maar die er uitgaat en valt tot de Chaldeeën, die ulieden belegeren, die zal leven (Jer. 21 : 9);
38. met vijandelijke bedoelingen tegen iemand of iets aanrukken: vallen in, gewapenderhand ergens binnentrekken, binnenvallen: de vijand is in ons land gevallen; — in de flank vallen, zie bij Flank ; de vijand in de rug vallen, hem van achteren aanvallen; — vallen op,

a. (eig.) iem. of iets gewapenderhand aanvallen: iem. op het lijf vallen; b. (fig., niet alg.) iem. berispen of bevitten: hij valt altijd op mij; (Zuidn.. zegsw.) op iem. vallen gelijk de duivel op Geraard, hem er ongenadig van langs geven; — (Zuidn.) vallen tegen iem., tegen hem opkomen, hem bestrijden, berispen;

39. (oneig.) hinderend in de weg komen: iem. in de rede, in zijn woorden vallen, hem niet laten uitspreken;
40. zich geestelijk, t.w. met gedachten, wensen, voorkeur, woorden enz., in een bep. richting bewegen, zich tot iem. of iets wenden; steeds in verband met op: hij wil absoluut dokter worden, viel hij maar op ‘t domineeschap, dan was zijn kost gekocht; zijn zinnen laten vallen op, zin krijgen in; — (niet alg.) het gesprek, de beschouwing brengen op iets; over iets beginnen: plots op iets anders vallend; — (van de aandacht, het gesprek, enz.) op een bepaald onderwerp enz. overgaan: het gesprek viel op hem, men kwam over hem te spreken: plots viel zijn aandacht op die naam;
41. (Zuidn.) vallen in, toestemmen in, goedkeuren, er behagen in scheppen: daar val ik inr dat is naar mijn zin, naar mijn smaak: indien hun zoon in het ontworpen huwelijksplan had willen vallen;
42. zich zetten tot iets, zich met iets gaan bezighouden, beginnen aan: vallen aan: aan de arbeid vallen, daarmede opgewekt, met gejaagdheid beginnen; zij viel aan ‘t huilen;
43. onvrijwillig overgaan (van (uit) iets tot (in) iets anders): de motor valt uit de pas en gaat stilstaan; zij zocht naar goede woorden, maar moest uit de toon vallen; de spreker viel uit zijn betoog; — uit de gis, uit zijn rol vallen, zie bij Gis en Rol;
44. (niet alg.) (van kleuren) naderen tot: dat valt naar het groene;
45. vrij plotseling of toevallig ergens belanden, terechtkomen: onder dieven en moordenaars vallen; in een hinderlaag vallen; — in het oog vallen de aandacht trekken; 46. (van gedachten) plotseling, onvrijwillig in het bewustzijn komen: dat viel hem in de zin, in de gedachte; te binnen vallen;
47. in een bep. plaats of orde gelegen of te situeren zijn : dat valt buiten zijn bevoegdheid, daartoe is hij niet bevoegd; buiten de maat vallen; in de belasting vallen, belastingplichtig zijn: — onder, binnen, buiten iemands bereik vallen;
48. behoren tot, thuishoren in, gerangschikt worden, ressorteren onder: in een bepaalde klasse vallen; Betsy viel wat meer in het voorname dan ik; — glas valt physisch onder het begrip vloeibaar;
49. vallen onder, onderworpen zijn aan de werking of de heerschappij van: een hoger kracht dan onder 't zintuig valt heeft de aarde voortgebracht; hij valt onder de strafbepalingen van dit artikel;
50. in een bep. toestand of omstandigheid geraken; — nader bepaald door een voorzetselbepaling: hij viel van de ene verbazing in de andere; in diepe gedachten, in goede, in slechtehanden, in iemands handen, in slaap, in de smaak, in de termen vallen ; — (in ’t bijz.) vaak m. betr. t. een ongunstige toestand of omstandigheid: in ’t zwaarmoedige vallen, zwaarmoedig worden; in zijn ongeluk, in zijn verderf vallen; in het lot, in de loting, in ongenade, in verdenking, in ziekten, in zonden vallen; — (Zuidn.) zonder iets vallen, het niet meer hebben; — (zeilv.) slaags vallen, zie bij Slaags; — nader bepaald door een bn.: lam vallen;

VI. als uitdrukking van een worden, een zich ontwikkelen, gebeuren, een ontstaan;

51. uitkomen, uitvallen op een bep. manier: het valt juist zoals ik gedacht had; al naar het valt, al naar het uitkomt; — in verb. met een bn.: dat valt goed, verkeerd, komt goed, verkeerd uit; hoe groot kan de kraag vallen? (uit een lap stof); — (gew., m. betr. t. personen) hij is niet lui gevallen;
52. (veroud.) komen als gevolg van iets; vaak in verb. met een ontkenning; in dit gebruik thans nog Zuidn.: daar valt niets van, dat zal niet zijn;
53. (veroud.) ontstaan, opkomen: dat de vraag ook bij de overige leden gevallen is (Geel); — thans nog m. betr. t. gaten, breuken en derg.: zich onverwacht vertonen: dijkschaden op het eiland Marken gevallen; in dat soort van kousen vallen makkelijk gaten;
54. (van onkosten, winsten of profijten) ontstaan (uit), gemaakt worden (ter gelegenheid van), vaak met in, op of over: de daarop vallende onkosten; onverminderd het recht der schuldeisers op de gemeenschap, blijft de vrouw in de verplichting om aan hen te voldoen de schulden, van hare zijde in de gemeenschap gevallen (B.W., a. 187);
55. (van woorden, gesprekken enz.) gezegd, gesproken, geuit, gehoord worden: hij kust zijn meisje, woorden vallen er niet; — van aanmerkingen, bedenkingen, klachten, vallen op, over, tegen: op sommige details in Sluters beelden kunnen aanmerkingen vallen; — inz. m. betr. t. kijf- of twistwoorden: laat ons, als wij elkaar zien bij mama, doen of er geen woorden tussen ons zijn gevallen; — van vonnissen: uitgesproken worden: er zijn in België heel wat doodstraffen gevallen;
56. (van een besluit, een beslissing enz.) getroffen, genomen worden: in de vergadering der Staten van Holland viel het besluit om de vredehandel te eindigen;
57. (Zuidn., van renten, pacht enz.) verschijnen, vervallen, betaalbaar worden of zijn: de huishuur is gevallen; hij is altijd bevreesd tegen dat de pacht valt;

VII. als uitdrukking van een zijn, een bepaalde manier van zijn en hieruit afgeleide bet., een aanwezig-, een voorhanden-zijn;

58. (niet alg.) als koppelww. in verb. met een zn.: zijn: overmits er nu van genade bij de nog onzondige mens uiteraard geen sprake kon vallen;
59. als koppelww. in verb. met een ww., thans steeds voorafgegaan door te: wat valt er te vertellen over de jongste politieke gebeurtenissen?; er valt weinig van te zeggen; zij deed wat er te doen viel; de ouders zagen dat er aan de verkering niet te tornen viel; — (Zuidn.) als noodzakelijkheid voorhanden zijn, noodzakelijk zijn : er valt hier te werken; (met een ontkenning) verboden zijn: een meisje waarmee niet te lachen viel; 60. als koppelww. verbonden met een bn.: op een bep. manier zijn, in een bep; toestand zijn of komen; — in gewoon onoverg. gebruik: (met een persoon als ond.) ik val wat kittelig van huid, en kan geen vitten dulden (Goeverneur); zij valt wat verlegen; — (Zuidn.) gelegen komen : ge valt goed, we gaan juist aan tafel; — met een onpers. ond.: het viel hem licht haar fouten te vergeven; het valt mij pijnlijk, dit te moeten vragen; dat viel niet goed; (met een zaak als ond.): een proef die hem te machtig valt; de arbeid valt hem zwaar, moeilijk, licht; het spreken valt hem nog zwaar; de appelen vallen dit jaar wat groot; — voor het tegenwoordige taalgevoel overg. in de verb.: tem. lastig vallen, hem storen, ongelegen komen; hij valt mij telkens lastig om geld, vraagt mij dat telkens;
61. als koppelww. in verb. met bepaalde bn.: iemand op de gen. manier voorkomen, toeschijnen: de nachten vallen slapeloos en lang; de tijd valt mij te lang, ik verveel mij; waar wij ons naast elkander scharen, daar valt de strijd lichter;
62. (in een pregnante toepassing van de bet. 60.) aantrekkelijk, zwierig, sierlijk, bevallig enz. zijn, alleen met een ontkenning: het valt niet, dunkt me; — in ’t bijz. m. betr. t. eten of spijzen: iem. niet vallen,

a. (niet alg.) iem. niet smaken: het eten valt me niet;

b. (Zuidn.) iem. niet goed bekomen : dat bier en valt niet;

63. (in een pregnante toepassing van de bet. 60.) passen, voegen, gelegen komen, schikken: niet op elkaar vallen, (van spijzen) niet bij elkaar passen, geen goede combinatie vormen: een bordje schildpadsoep en aardbeien met slagroom, dat viel niet zo erg op mekaar geloof ik, want ik was ten minste een tikje aan de draaierige kant; — vallen in, passen bij, met iets overeenkomen, stroken: woorden die in de Griekse geest vielen; dat valt niet in mijn straatje, dat ligt me niet; — (van personen) vallen in elkaar, goed bij elkaar passen, het goed kunnen vinden met elkaar (alleen R.-K.?): wij vielen nu toevallig in elkaar, we konden het goed met elkaar vinden;
64. aanwezig, voorhanden zijn, voorkomen, gevonden worden: op een mm lengte van een kristal vallen dus rond twee millioen eenheden.