Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Dat

betekenis & definitie

(mv. die),

I. vnw.,
1. aanw. vn. voor het onz. geslacht, zelfst. en bijv., wijst iets aan dat zich niet in de onmiddellijke nabijheid des sprekers bevindt: dat dorp is Voorburg; dat (hetgeen gij daar ziet) is Voorburg ; — ook gebruikt als men iets niet nader specificeren wil: hij heeft dat en dat gezegd; — wijst terug op iets dat tevoren genoemd is : dat (wat gij daar beweert) is nog zo zeker niet; dat wil zeggen, inleiding ener nadere omschrijving, verklaring ; — dat is te zeggen, inleiding ener beperking, ook ener tegenwerping; — in zelfst. gebruik, verb. met een koppelww. of als praedicaatsnomen ook om mannelijke of vrouwelijke zelfstandigheden aan te duiden: dat is mijn tuin ; dat (de persoon van wie wij spreken) is nog eens een man; wie is dat? —hij bezit niet dàt, niets ; — het is niet dat, niet het ware ; ook : je dat; — vgl. dit;
2. bepalingaank. vn., onz.: mijn bock en dót van mijn broeder ; hij zoekt alleen dat, wat voordeel geeft;
3. betrekk. vn., onz.: ziehier het werk dat ik gemaakt heb ; ge vertelt mij iets dat ik nog niet wist; het bericht dat (de berichten die) hij mij bracht;

II. zelfst. nw., onz.,

1. (meest in verkleinv.) iets van weinig belang, een kleinigheid: een ditje en een datje krijgt hij nog wel van mij ;
2. aanmerking, bezwaar ; tekortkoming: hij heeft altijd een ditje en een datje, altijd iets aan te merken;
3. ter vervanging van vloekwoorden : loop naar de dit en dat; voor den dit en dat',

III. voegw., als inleiding van een afhankelijke mededeling in de functies van onderwerp, lijdend of oorz. voorw. of bijv. bep.: dat hij komt is zeker; ik denk, dat hij komt; ik ben zeker, dat hij wegblijft; het bericht, dat de onzen hebben overwonnen, werd met vreugde begroet; de reden, dat hij niet komt, is .... ; het spreekwoord, dat eerlijk het langst duurt, is juist; de dag, dat (waarop) hij thuis keerde; de tijd dat (toen, in welke); — als inleiding van een wens, met weglating van de hoofdzin: (ik wens) dat hij komel (ik wenste) dat hij kwame; in verbinding met voorzetsels of in voegw. uitdrukkingen: behalve dat, zonder dat; in weerwil dat, in plaats dat enz. ; vgl. opdat, nadat, voordat; — als verkorting van omdat: hij is kwaad, dat hij niet mag schaatsenrijden ; — als verkorting van opdat: ik zal hard lopen, dat ik de trein nog haal; — aan ’t hoofd van een gevolgaanduidende zin: het vriest, dat het kraakt; doe het zo, dat ik tevreden kan zijn; — in de spreekt, ook na voegw. bijwoorden: terwijl dat, sinds dat, en in min of meer platte taal ook na gewone bijw. en na vragende aanw. vnw.: kijk waar dat je loopt; zie wat dat je doet.