Wat is de betekenis van vast?

2019
2022-12-09
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

vast

vast - Bijvoeglijk naamwoord 1. stevig De vaste verbinding moest met een zaag weer losgemaakt worden. 2. permanent Er is een vaste oeververbinding, zodat auto's makkelijk op en neer kunnen rijden. 3. (thermodynamica) kristallijn of amorf ...

Lees verder
2018
2022-12-09
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

vast

vast - bijvoeglijk naamwoord, bijwoord 1. stevig met iets verbonden, niet beweegbaar ♢ het plakband zit erg vast 1. vaste vloerbedekking [aan de randen van de vloer vastgemaakt] ...

Lees verder
2004
2022-12-09
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema

vast

- vast tapijt, vaste vloerbedekking, kamerbreed tapijt. Vast tapijt, aangename stoelen, warme sfeer... Het lijkt helemaal geen ziekenhuis als je het chirurgisch dagcentrum - naast de dienst spoedgevallen - binnenstapt. - HN, 16-11-2002. zie waarde, zeker.

Lees verder
2003
2022-12-09
Financieel Woordenboek

Door Frits Conijn & R.M. van Poll (2003)

vast

vast - Term uit de effectenhandel om de stemming mee aan te geven. De beurs is vast als de meeste koersen stijgen.

1998
2022-12-09
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Vast

zo - als een huis, zeker. Cliché dat vooral geliefd is onder journalisten. Bovendien was die Sint tegen alles dik verzekerd, zo vast als een huis. (J.A. Deelder: Drukke dagen, 1988)

Lees verder
1973
2022-12-09
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Vast

(-er, meest vast), bn. en bw., niet beweeglijk of verplaatsbaar: een vaste wastafel; (fig.) hij zit erg vast aan zijn geld, geeft het moeilijk uit; sterk, stevig: hij staat niet vast op de schaats; sta vast! hou je goed, zet je schrap; het schip ligt vast op het water, het slingert niet; vaste activa, vast kapitaal, die in het bezit van de eigena...

Lees verder
1952
2022-12-09
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Vast

adj. & adv., fêst, stevich, steech, steuch; (van de grond), stiif, ticht; — en droog, bigeard; zeer —, izerfêst; -e ondergrond, fêste; door liggenworden, bilegerje; zostaan als een huis, foar trije ankers lizze; dat is een -e gewoon...

Lees verder
1951
2022-12-09
Woordenboek Engels (EN-NL) 1951

Dr. F.P.H. van Wely

vast

I. ontzaglijk, groot, uitgestrekt; onmetelijk; omvangrijk, kolossaal; II. uitgestrekte vlakte, onmetelijkheid.

Lees verder
1950
2022-12-09
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Vast

bn. bw. (-er, meest —), 1. in zijn delen sterk samenhangend, niet los: dat hout is nogal vast; vast deeg, stijf ineengewerkt; vaste kaas, droge kaas; een vaste rots; (bouwk.) vaste grond, waarin een fundering op staal kan worden toegepast; (de) vaste grond onder de voeten hebben; de vaste wal,...

Lees verder
1937
2022-12-09
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

vast

vaster, meest vast 1 bn. (sterk, samenhangend, niet los; niet beweeglijk; blijvend, duurzaam; onwrikbaar): de vaste grond, een vast weefsel, niet los, solide; vaste wastafels; vaste spijzen, niet vloeibaar; een vaste ster, geen dwaalster; vaste prijzen, bepaald, waarop men niet kan afdingen; een vaste slaap, diep; een vast karakter, standvastig; ee...

Lees verder
1930
2022-12-09
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

vast

I. bn. en bw. (-er, meest -) 1. in zijn delen sterk samenhangend: de -e rots; hout, vlees. Tgst. los. 2. dicht, solied: een weefsel. 3. niet beweegbaar: een -e brug; een takelblok is in één punt bevestigd. ➝ muts. 4. niet vloeibaar: -e spijzen. 5. onroerend: -e goederen. 6. Sterrenk. ten opzichte van elkander, nagenoeg niet van...

Lees verder
1916
2022-12-09
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Vast

Vast - eigenschap van een lichaam, daarin bestaande, dat er groote uitwendige krachten noodig zijn voor vormverandering en breuk. In tegenstelling hiermede staan de eigenschappen broos en plastisch. Scherp zijn deze qualiteiten echter niet te omschrijven, daar de werking van deformeerende krachten zeer sterk afhangt van den tijdsduur ervan. De mees...

Lees verder
1910
2022-12-09
Handelslexicon

Handelslexicon (1910) door J. Hagers

Vast

Vast - beursterm, te kennen gevende, dat op de markt de verkoopers volstrekt ongeneigd waren tot lagere prijzen af te geven en de koopers wel tot vorige koersen koopen, doch niet hooger besteden wilden.

1898
2022-12-09
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Vast

Het begrip vast heeft 2 verschillende betekenissen: 1. vast - VAST - bn. (-er, meest -), in zijne deelen sterk samenhangend, niet los: dat hout is nogal vast; eene vaste rots; den vasten grond onder de voeten hebben; de vaste wal, in tegenstelling van de zee; het vaste land; — (spr.) dat is zoo vast als een muur, zeer onbeweeglijk; ik zit zo...

Lees verder
1898
2022-12-09
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Vast

zie Bestendig.

1864
2022-12-09
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Vast

Vast, bn. en bijw. (-er, -st), niet los, niet vloeibaar; aaneen-, zamenhangend; digt; het -e land (tegenst. van eiland); ineengewerkt (van deeg); -e (grove) spijzen; -e (diepe) slaap; -e ster, (in tegenst. van dwaalster of planeet); onwrikbaar, stevig; standvastig (van karakter); -e (onroerende) goederen; -geld, een bepaald inkomen; -e wal, het la...

Lees verder
1856
2022-12-09
Jacob van Lennep

Zeemans-woordenboek 1856

Vast

t.w. - Vastdraaien! Vasthalen! (komm. van uit te scheiden, op te houden).

1573
2022-12-09
Etymologicum 1573

Kiliaans Etymologicum Teutonicae Linguae

Vast

Firmus, fixus, solidus, ratus, constans, immobilis. germ. vest: ang. fast.

Lees verder