Vast
bn. bw. (-er, meest —), 1. in zijn delen sterk samenhangend, niet los: dat hout is nogal vast; vast deeg, stijf ineengewerkt; vaste kaas, droge kaas; een vaste rots; (bouwk.) vaste grond, waarin een fundering op staal kan worden toegepast; (de) vaste grond onder de voeten hebben; de vaste wal,...