Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Schrijven

betekenis & definitie

Het begrip schrijven heeft 2 verschillende betekenissen:

1. schrijven - SCHRIJVEN - (schreef, heeft geschreven), met eene stift, pen, potlood, griffel, krijt enz. letters op papier of andere voorwerpen maken: lezen en schrijven leeren ; mooi, duidelijk, leesbaar, goed schrijven; gauw, langzaam, vlug schrijven ', met pen en inkt, met potlood, met houtskool schrijven ;
— (fig.) dat is met bloed geschreven, bloed is er voor gestort;
— met een bloedend harte schrijven, er zeer veel leed over gevoelen ;
— deze pen schrijft niet, ze geeft geen inkt;
— dik, dun, zwaar schrijven ; onder de lijn, over een woord heen schrijven ;
— over die zaak is veel geschreven en gewreven, heen en weer geschreven;
— met betrekking tot hetgeen men schrijft: zijn naam, een adres schrijven; brieven schrijven; wat schrijft hij {in zijn brief)? ;
— ik zal u van uit Amsterdam schrijven, van daar tijding zenden;
— iem. de geboorte van zijn kind, een sterfgeval schrijven, per brief of briefkaart melden;
— recepten schrijven; rekeningen schrijven;
— (fig.) hij weet rekeningen te schrijven, alles zoo hoog mogelijk te noteeren ; een opstel, een boek, eene opera, een wals schrijven, vervaardigen, samenstellen;
— hij schrijft tegenwoordig weinig;
— om geld schrijven, daarom schriftelijk vragen ; hij schrijft om zijne schaatsen ;
— over politiek schrijven, beschouwingen daaromtrent geven, mededeelen;
— tegen iem. schrijven, hem in een opstel, open brief, brochure enz. bestrijden of aanvallen;
— wat geschreven is, is geschreven, wat men eenmaal heeft bepaald of vastgesteld, is onveranderlijk;
— wij schreven toen 1806, het was toen in het jaar 1806 ;
— den hoeveelsten schrijven wij vandaag ?, welke datum is het vandaag?;
— (fig.) de rimpels hebben zijn ouderdom op zijn voorhoofd geschreven ;
— met betrekking tot de manier waarop men schrijft, inz. tot den stijl: iets in *t net, in klad schrijven; in proza, in poëzie schrijven; in ’t Fransch, in cijferschrift schrijven; hartelijk, vinnig, hekelend schrijven; op hoogen, scherpen, bevelenden toon schrijven; omslachtig, kort, verward, glashelder schrijven; hij schrijft mooi, veel mooier dan hij spreekt; die schrijver schrijft te veel, te vluchtig ;
— met aanduiding waarop men schrijft; op een bord, op den muur schrijven; in iemands album schrijven; in zijn zakboekje schrijven;
— (fig.) op iemands rekening schrijven, het hem wijten, hem er de schuld van geven;
— (spr.) (plat) schrijf het maar op je buik {en veeg het met je hemd uit), deze schuld wordt u niet betaald, geef dat maar op ;
— het staat op zijn voorhoofd geschreven, het is hem duidelijk aan te zien ;
— er staat geschreven, in den Bijbel;
— ten opzichte van de spelling ; dat woord is goed, fout geschreven; drogen schrijft men met ééne o; hoe schrijft hij zijn naam, met enkele of dubbele s ? ;
— hoe schrijft hij zich?, hoe onderteekent hij zich ?; hij schrijft zich doctor, hij teekent zich alzoo ;
— _ zich moede, ziek schrijven, zóó lang schrijven, tot men er moede, ziek van wordt;
— zich lam schrijven, ontzettend veel schrijven, eig. zóó lang tot men de pen haast niet meer vast kan houden ;
— zich rijk, arm schrijven, door te schrijven, rijk, arm worden;
— hij wint den kost met schrijven, wat hij met schrijven verdient, daarvan onderhoudt hij zich.

2. schrijven - SCHRIJVEN - o. het schrijven valt mij zwaar, het kost mij moeite te schrijven ; hij is vermoeid van het vele schrijven;
— brief: uw schrijven is mij geworden ; ik ontving een schrijven van hem; in uw schrijven van den zooveelsten ; een koninklijk schrijven, vanwege den koning.