Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Pen

betekenis & definitie

Het begrip pen heeft 2 verschillende betekenissen:

1. pen - pen - v. (-nen), lange, stevige veer van vogels, inz. uit den staart of de vleugels;
zulk eene pen van eene spleet voorzien en tot schrijven dienend ; eene bos (ganze)pennen; pennen bereiden, ze geschikt maken om er mede te schrijven; pennen snijden, versnijden, vermaken;
— metalen werktuig om mede te schrijven : stalen, koperen pennen; de pen indoopen, in den inkt; de pen spat; de spleet der pen; pennen voor rondschrift; de pen opvatten, gaan schrijven;
— iem. iets in de pen geven, voorzeggen, aangeven wat hij schrijven moet;
— de pen voeren schrijver zijn;
— (fig.) de pen neerleggen, niet meer in het openbaar schrijven;
— met geene pennen te beschrijven, onmogelijk alles omstandig mede te deelen;
— een man van de pen, iem. die flink schrijven kan;
— hij leeft van zijne pen, van de opbrengst van hetgeen hij schrijft;
— iets onder de pen nemen, er een artikel over schrijven;
— eene welversneden pen, een fraaie stijl, goede schrijftrant;
— bitse pen, een hekelende, scherpe stijl;
— zijne pen scherpen, bitse woorden bezigen in geschrift;
— zijne pen tegen iem. scherpen, hem in geschrifte duchtig hekelen;
— hij heeft eene scherpe pen;
— (spr.) het puntje van eene vlugge pen is het scherpste wapen, dat ik ken;
— haat en wraakzucht bestuurden zijne pen, deden hem zoo schrijven;
— het is in de pen, er is sprake van dat het zal geschieden;
— het is al lang in de pen geweest, men was het reeds lang van plan;
— dat woord is in de pen gebleven, bij het schrijven vergeten;
— in de pen blijven, onuitgevoerd of achterwege blijven eener voorgenomen of besliste zaak;
— met de pen, in geschrifte;
— dit is met de pen gedaan, niet gedrukt;
— (Zuidn.) daar wordt men met de pen gevoederd, ’t is er magere keuken;
— (gemeenz.) eene stalen pen, een galarok: hij heeft zijne stalen pen aangetrokken. PENNETJE, o. (-8).

2. pen - pen - v. (-nen), (timm.) houten nagel, pin: met pennen vastmaken; verbinding met pen en gat; (schoenm.) klein houten of metalen pennetje om het onderwerk aan den rand te bevestigen;
— ijzeren pennen, kleine ijzeren spijkertjes zonder kop voor lederwerkers;
— (horl. smed.) dunne nageltjes;
— (nat. hist.) schacht of stekel van een egel;
— houten stop;
— breipen; (fig.) (gew.) van de pen zijn, in de war, van streek zijn; het weer is van de pen, het is los, buiig weer;
— rijgpen;
— metalen pen om papieren aan vast te steken, ten einde ze te bewaren; (Z. A.) nu ben je aan de pen, nu ben je er aan, in ’t nauw gebracht;
— (zeew.) ieder spits of stomp toeloopend einde van houten of ijzeren voorwerpen, dat in een gat moet ingelaten worden en daarin juist sluit: de pen der stengen, het bovenste gedeelte van den top, vierkant bijgehakt tot het ontvangen van het ezelshoofd;
— spijkerpen, houten pen om een spijkergat te vullen; roerpen;
— knijppennetje, prang : het waschgoed op de drooglijnen met pennen vastzetten;
— (fig.) iem. de pen op den neus zetten, vermanen en met straf bedreigen. PENNETJE, o. (-s).