Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 29-11-2018

Scherpen

betekenis & definitie

Scherpen - (scherpte, heeft en is gescherpt), slijpen, wetten, aanzetten, scherp maken: scharen en messen slijpen;

—eene zeis scherpen, haren;
— een scheermes scherpen, aanzetten;
— billen : een molensteen scherpen;
— ruw maken (het kaardbeslag eener kaardmachine);
— een paard scherpen, met gescherpte hoefijzers beslaan, scherpe kalkoenen in de hoefijzers schroeven, opdat het op sneeuw of ijs niet uitglijde;
— (fig.) aanzetten : het verstand, het geheugen scherpen, oefenen;
— zich op iets scherpen, toeleggen, bevlijtigen, (ook) er scherp over nadenken;
— (zeew.) tegenloopen: de wind begint te scherpen, uit een verkeerden hoek te waaien. SCHERPING, v. (-en), het scherpen (in alle bet.).