Maken betekenis & definitie

Maken (maakte, heeft gemaakt), vervaardigen: schoenen, kleeren maken; papier wordt van lompen gemaakt; hij maakt al deze snuisterijen zelf; — een dam, een dijk maken, leggen; — eene brug, een huis maken, bouwen — op-, samenstellen: wetten, keuren, een testament maken; opstellen, thema’s maken; hij heeft heel wat schoolboekjes gemaakt; — (in de kunst) afbeelden, schilderen, uithouwen deze schilder heeft enkele mooie stukken gemaakt; een standbeeld maken; portretten maken; verzen, gedichten maken; — doen ontstaan oproer maken; hij heeft veel schulden gemaakt; ruimte, plaats, ruim baan maken; — (plat) verwekken een kind maken; — (plat) een meisje met kind maken, bezwangeren; — scheppen God maakte den mensch naar zijn beeld; — (van abstracte zaken) een verbond, vrede maken, sluiten; — gij behoeft zoo veel haast niet te maken, u zoo niet te haasten; — om een begin te maken, om te beginnen; — aan iets een einde maken; dat maakt eenig verschil; — winnen geld maken; hij maakt jaarlijks een paar duizend gulden; — hoeveel maak je voor (of van) die varkens, ontvangt gij daarvoor in geldswaarde, welken prijs kunt gij bedingen ?; — (Zuidn.) (fig.) veel (of weinig) uit iets maken, voor iets (niet) onverschillig zijn: die jongen maakt veel uit den dood van zijn broer; — verzinnen, voorwenden: een boodschapje maken; — (zeew.) het schip maakte veel water (van een lek schip), kreeg veel water in; — in zekeren toestand brengen gevangenen maken; iem. voorzitter maken; hij heeft hem deelgenoot gemaakt van zijn geheim; — (met een adj.) blind, dood, klein maken; iem. het hoofd warm maken; den misdadiger een hoofd kleiner maken gij zult mij dat waar maken, met bewijzen staven; — voorstellen, afschilderen; iets grooter maken, vergrooten; iem. of iets belachelijk maken; de zaak erger maken dan zij is; hij is zoo slecht niet als de menschen hem maken; hij tracht hem zwart te maken, in een ongunstig licht te stellen door allerlei kwaad van hem te zeggen; — iem. tot leugenaar maken, beweren, aantoonen dat hij gelogen heeft, een leugenaar is; — (met een voorzetselbep.) te gelde maken: water aan de kook maken, iem. aan het lachen, schreien maken; — (Zuidn.) iem. er aan maken, hem het spel doen verliezen; — doen, verrichten: visites maken; eene reis, een uitstapje maken; zoo maakt gij een heelen omweg; zijne opwachting maken; — dat maakt mij niets, dat doet er niets toe, brengt geene verandering in de zaak; — hij kan mij niets maken, hij kan mij niet schaden; gij hebt daar niets te maken; gij hebt er niets mee te maken, de zaak gaat u niets aan; — hoe zult gij het maken ?, wat zult gij doen, beginnen ?;

— hoe zal hij het met mij maken, hoe zal hij mij behandelen, (ook) beloonen; — hoe maakt gij heil, hoe vaart gij 3; — hij maakt het goed, hij is gezond, welvarend; — het slecht maken, zich slecht gedragen; (ook) van een zieke ernstig zijn achteruitgaan; — het iem. lastig, moeilijk, onmogelijk maken; — het niet lang maken, spoedig heengaan, (ook) niet lang meer leven; hij heeft het er naar gemaakt, hij heeft die straf verdiend; — gereed maken; in orde maken, in gereedheid brengen: het bed maken, opmaken; zijn haar maken; — weer in orde maken, iets in orde maken dat gebroken is, herstellen wat gij breekt, moet gij laten maken; deze schoenen kunnen niet meer gemaakt worden: ze zijn te oud; — hij kan hem wel maken en breken is veel sterker; — het wezen uitmaken van de kleeren maken den man, daarnaar beoordeelt men hem; — uitmaken, een getal vormen: acht en tien maakt achttien; veel kleintjes maken een groote; — bespreken, vermaken aan iem. iets maken bij uiterste wilsbeschikking; zijn heele vermogen aan de kerk maken; — zich maken, zich in zekeren toestand brengen zich gehaat, bemind maken; zich vroólijk maken; zich schuldig maken; zich gereed maken; hij maakt zich daardoor totaal ongelukkig, ruïneert zich; zich dik maken, boos worden; — zich opmaken, zich begeven maak u van hier; — zich uit de voeten maken, heengaan, zich verwijderen; — zich te zoek maken, zich verschuilen; — (onpers.) (w. g.) het maakt veel water vandaag, het regent hard; het heeft vannacht veel ijs gemaakt, hard gevroren.

Laatst bijgewerkt 19-09-2018