Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 19-09-2018

Maken

betekenis & definitie

Maken (maakte, heeft gemaakt), vervaardigen: schoenen, kleeren maken; papier wordt van lompen gemaakt; hij maakt al deze snuisterijen zelf;

— een dam, een dijk maken, leggen;
— eene brug, een huis maken, bouwen
— op-, samenstellen: wetten, keuren, een testament maken; opstellen, thema’s maken; hij heeft heel wat schoolboekjes gemaakt;
— (in de kunst) afbeelden, schilderen, uithouwen deze schilder heeft enkele mooie stukken gemaakt; een standbeeld maken; portretten maken; verzen, gedichten maken;
— doen ontstaan oproer maken; hij heeft veel schulden gemaakt; ruimte, plaats, ruim baan maken;
— (plat) verwekken een kind maken;
— (plat) een meisje met kind maken, bezwangeren;
— scheppen God maakte den mensch naar zijn beeld;
— (van abstracte zaken) een verbond, vrede maken, sluiten;
— gij behoeft zoo veel haast niet te maken, u zoo niet te haasten;
— om een begin te maken, om te beginnen;
— aan iets een einde maken; dat maakt eenig verschil;
— winnen geld maken; hij maakt jaarlijks een paar duizend gulden;
— hoeveel maak je voor (of van) die varkens, ontvangt gij daarvoor in geldswaarde, welken prijs kunt gij bedingen ?;
— (Zuidn.) (fig.) veel (of weinig) uit iets maken, voor iets (niet) onverschillig zijn: die jongen maakt veel uit den dood van zijn broer;
— verzinnen, voorwenden: een boodschapje maken;
— (zeew.) het schip maakte veel water (van een lek schip), kreeg veel water in;
— in zekeren toestand brengen gevangenen maken; iem. voorzitter maken; hij heeft hem deelgenoot gemaakt van zijn geheim;
— (met een adj.) blind, dood, klein maken; iem. het hoofd warm maken; den misdadiger een hoofd kleiner maken gij zult mij dat waar maken, met bewijzen staven;
— voorstellen, afschilderen; iets grooter maken, vergrooten; iem. of iets belachelijk maken; de zaak erger maken dan zij is; hij is zoo slecht niet als de menschen hem maken; hij tracht hem zwart te maken, in een ongunstig licht te stellen door allerlei kwaad van hem te zeggen;
— iem. tot leugenaar maken, beweren, aantoonen dat hij gelogen heeft, een leugenaar is;
— (met een voorzetselbep.) te gelde maken: water aan de kook maken, iem. aan het lachen, schreien maken;
— (Zuidn.) iem. er aan maken, hem het spel doen verliezen;
— doen, verrichten: visites maken; eene reis, een uitstapje maken; zoo maakt gij een heelen omweg; zijne opwachting maken;
— dat maakt mij niets, dat doet er niets toe, brengt geene verandering in de zaak;
— hij kan mij niets maken, hij kan mij niet schaden; gij hebt daar niets te maken; gij hebt er niets mee te maken, de zaak gaat u niets aan;
— hoe zult gij het maken ?, wat zult gij doen, beginnen ?;
— hoe zal hij het met mij maken, hoe zal hij mij behandelen, (ook) beloonen;
— hoe maakt gij heil, hoe vaart gij 3;
— hij maakt het goed, hij is gezond, welvarend;
— het slecht maken, zich slecht gedragen; (ook) van een zieke ernstig zijn achteruitgaan;
— het iem. lastig, moeilijk, onmogelijk maken;
— het niet lang maken, spoedig heengaan, (ook) niet lang meer leven; hij heeft het er naar gemaakt, hij heeft die straf verdiend;
— gereed maken; in orde maken, in gereedheid brengen: het bed maken, opmaken; zijn haar maken;
— weer in orde maken, iets in orde maken dat gebroken is, herstellen wat gij breekt, moet gij laten maken; deze schoenen kunnen niet meer gemaakt worden: ze zijn te oud;
— hij kan hem wel maken en breken is veel sterker;
— het wezen uitmaken van de kleeren maken den man, daarnaar beoordeelt men hem;
— uitmaken, een getal vormen: acht en tien maakt achttien; veel kleintjes maken een groote;
— bespreken, vermaken aan iem. iets maken bij uiterste wilsbeschikking; zijn heele vermogen aan de kerk maken;
— zich maken, zich in zekeren toestand brengen zich gehaat, bemind maken; zich vroólijk maken; zich schuldig maken; zich gereed maken; hij maakt zich daardoor totaal ongelukkig, ruïneert zich; zich dik maken, boos worden;
— zich opmaken, zich begeven maak u van hier;
— zich uit de voeten maken, heengaan, zich verwijderen;
— zich te zoek maken, zich verschuilen;
— (onpers.) (w. g.) het maakt veel water vandaag, het regent hard; het heeft vannacht veel ijs gemaakt, hard gevroren.