Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Kort

betekenis & definitie

Het begrip kort heeft 2 verschillende betekenissen:

1. kort - KORT, bn. bw. (-er, -st), niet lang; van zaken dat touw is te kort; zij draagt nog korte rokken; hardrijden op de korte baan; korte streken, maken (van schaatsenrijders); op korten afstand; het haar kort afknippen;
— (papierm. ) korte stof, stof die fijn genoeg is, om er papier van te scheppen
— (Zuidn.) korte drank, kort nat, jenever;
— (Zuidn.) kort mest, goed verteerd mest met bijgevoegd kort stroo;
— een kort geheugen, dat niet lang onthoudt, zwak;
— een korten adem heeft iem. die gauw buiten adem is
— (spr.) aan het kortste, einde trekken, in de slechtste positie zijn, het moeten verliezen
— alles kort en klein slaan vernielen, in stukken slaan;
— (bw.) dicht: hij woont hier kort bij; het schot vloog mij kort langs den arm;
— van personen klein van gestalte of lichaamsbouw hij was te kort, toen hij lootte; twee jongens, de een kort en dik, de ander lang en mager; een kort en ineengedrongen persoontje;
— iem. een hoofd korter maken, onthoofden;
— _ van tijdsbegrippen kort durende, kortstondig, waarvoor weinig tijd noodig is korte dagen, wanneer de zon vroeg ondergaat; op korten termijn koopen, binnen eenige weken betalen;
— kort geld, geld dat men op korten termijn leent;
— de kunst is lang, het leven kort; de vreugde was van korten duur; het was eene korte vreugde;
— het kort maken, zich haasten, een kort bezoek bij iem. afleggen, (ook) weinig dagen ziek zijn en dan sterven; (ook) iets in weinig woorden zeggen;
— dat is kort dag, dat zal spoedig zijn of gebeuren, er is niet veel tijd meer;
— (recht.) kort recht, waarbij spoedig vonnis geveld wordt;
— (taalk.) korte klinkers, onvolkomen;
— korte lettergrepen, lettergrepen met korte klinkers;
— (bw.) kort daarna, daarop, weinig tijde later; dat is sedert kort gebeurd, zeer onlangs; binnen kort, weldra, eerstdaags:
— beknopt, niet uitvoerig een kort overzicht; de korte inhoud van het boek, het kort begrip van iets;
— kort en bondig, (van stijl enz.) flink en krachtig; iem. kort en bondig antwoorden, de waarheid zeggen, enz.; kort en krachtig;
— kort en goed, om er een einde aan te maken;
— korte wetten (metten) met iets of iem. maken, weinig omslag maken;
— kort van stof (Z. A. kort van draad) zijn, kort gebakerd, kort aangebonden zijn, weinig woorden gebruiken, opvliegend, driftig zijn;
— (zelfst.) in het kort, om niet lang te zijn, om niet lang te vertellen, in weinige woorden, kortom;
— beperkt: iem. kort hemden, streng in toom houden, weinig vrijheid van beweging laten, (ook) iem. weinig geld ter beschikking geven
— kort zitten, geen (gereed) geld hebben (ook) zonder middel van bestaan zijn
— (Zuidn.) er kort bij zijn, goed op alles letten (ook) gierig zijn hij laat zich niet foppen, hij is er kort bij;
— in kleine ruimte: kort afkoken, in weinig water koken, (ook fig.) korte wetten maken;
— dat vleesch is kort gekookt, malsch, goed;
— in verbinding met te: er is een gulden te kort, te weinig, er ontbreekt een gulden;
— te kort komen, niet genoeg hebben;
— bij iem. te kort komen, niet alles van hem ontvangen, wat hij ons schuldig is;
— bij iets te kort komen, er schade bij lijden;
— (Zuidn.) tegen iem. te kort komen, het niet kunnen halen tegen hem, voor hem moeten onderdoen;
— te kort schieten, niet voldoende, ontoereikend zijn; (ook) zijne plichten niet naar behooren vervullen;
— in iets te kort schieten, niet voldoen aan de daarvoor gestelde eischen, vergeefsche pogingen doen;
— iem. te kort doen, benadeelen, onrecht aandoen;
— zichzelven te kort doen, zichzelven nadeel doen, (ook) zich het leven benemen.

2. kort - KORT, o. (gew.) haksel voor het vee. kortvoer;
— (fig.) kleine stukjes tabak, gewoonlijk bij het binnengoed verwerkt;
— te kleine stukjes rooktabak: kort rooken;
— (bakkersw.) gebuild meel, vroeger kortmeel geheeten, dat tusschen de tweede soort van bloem en de zemelen in staat.