Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-09-2018

Bord

betekenis & definitie

BORD, o. (-en), plank;

— aan borden stooten, slaan (van een schip) in stukken;
— die koe heeft een bord (soort blinddoek) voor den kop en toch loopt ze nog uit de weide;
— (fig.) hij heeft een bord voor het hoofd, het is een onbeschaamd mensch, verhard in het kwade;
— hij moet voort, al had hij een bord voor zijn aars, op alle manieren, hoe ’t ook ga;
— (gew.) plank op eene stelling, langs een muur;
— (gew.) het is van het bovenste bordje, het is het beste, van de bovenste plank;
— te borde (berde) brengen, werpen, komen, ter sprake brengen, te pas brengen of komen ;
— vierkant of langwerpig, in ruiten, vakken enz. verdeeld houten blad of bak, gebruikt om met dobbelsteenen, damschijven, schaakstukken enz. op of in te spelen ganzendam-, schaakbord;
— in het bord spelen, triktrak spelen;
— (fig.) hij heeft zijne stukken goed op het bord, hij is goed voorbereid, hij komt goed beslagen ten ijs;
— groote plank of samenstel van planken, tegen een muur bevestigd met opschriften, bekendmakingen, enz. erop geschilderd of vastgehecht;
— het zwarte bord, voor de namen van leden eener sociëteit, die nalatig zijn in het betalen; naambordje;
— uithangbord; (spr) de bordjes zijn verhangen, de zaken zijn veranderd, nu denkt men er anders over;
— (gew.) een plankje waarop bij het inzetten van vaste goederen de te bieden som wordt geschreven zijn er nog meer borden uit ? heeft nog iem. een bord in te leveren ?;
— duizend gulden op een bordje krijgen, ineens, zonder korting;
— schoolbord voor het bord moeten komen, om iets op te schrijven, (ook) tot straf daar alleen staan wegens onbehoorlijk gedrag;
— op het bord geschreven staan, als vermaning wegens onbehoorlijk gedrag, (ook) als belooning voor goed gedrag, goed gemaakt werk, enz.;
— plankje of lessenaar om bij het teekenen of schrijven het papier op te leggen;
— lessenaar van den voorzanger of voorlezer in de kerk wie stond van morgen voor het bordje ? wie was voorlezer ?;
— houten kastje schoolbord zie aldaar;
— (aan een windmolen) langwerpig plankje ter zijde van de molenroede om meer wind te vangen;
— (aan een weefgetouw) houten plank die met den plooistok het drukbord vormt;
— (ijzergieterij) ijzeren met leem bestreken plaat, dwars in de gietgleuven gezet;
— eene der planken tegen de spaken van het roeiwiel eener stoomboot;
spatbord, (aan rijtuigen e»z.);
— (boekbinderij) een der twee houten, met leder enz. overtrokken plankjes die het plat van een boek beschutten; stuk bordpapier voor hetzelfde doel; bordpapier;
— ronde schijf, plaat of schaal, inz. om van te eten of wat aan te bieden een aarden, tinnen, porseleinen bord; vele boeren hebben nog houten borden; platte en diepe borden;
— een diep bord, voor soep;
— een bordje soep, ook gezegd voor een huiselijk diner; een vol bord;
— zijn bord opeten, alles opeten wat erop of erin is;
— een klein bord, voor ontbijt, dessert, taartjes enz.;
— (bij uitbr.) plaats aan eene gedekte tafel;
— antieke borden, ter wandversiering;
— zij laat het spek niet van haar bord halen, zij laat zich niet overbluffen of beetnemen. Bordje, o. (-s).