Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Groote

betekenis & definitie

GROOTE, m. en v. (-n), het bn. groot zelfst. gebezigd; de grooten (in tegenst. met de kleintjes), de oudere leerlingen op eene school;

— (ook) de groote lui, de aanzienlijken (zegsw.) wanneer het op de grooten regent, druipt het op de kleinen, de kleine man lijdt in ruime mate van den tegenspoed der grooten;
— (inz.) de adel, de regeerders van een rijk de koning beraadslaagde met de grooten zijns rijks;
— de grooten der aarde, de machtigen of aanzienlijken naar de wereld.