Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 19-09-2018

Laten

betekenis & definitie

Laten (liet, heeft gelaten), maken dat iets in den toestand blijft, waarin het is: de deur open laten: iem. met rust, met vrede, ongemoeid laten; visch laat den mensch zooals hij is, voedt hem niet (vroegere volkswijsheid); men moet de wereld laten zooals zij is;

— iem. in de pekel laten, in verlegenheid;
— laat de dooden rusten;
— het er bij laten, het er bij laten zitten, met iets ophouden, het opgeven, (ook) het niet gerechtelijk vervolgen;
— iets blauwblauw laten, er niet van spreken, met stilzwijgen voorbijgaan, er geene aanmerkingen op maken;
— met rust, ongemoeid laten laat hem nu, plaag hem niet meer;
— toestaan dat iets geschiede: laat hem maar begaan;
— ik heb het mij laten wijsmaken, heb het zoo mij laten vertellen, ik heb het zoo hooren vertellen, doch sta niet voor de waarheid in;
— hij liet zich gezeggen, luisterde naar raad, naar goede woorden;
— dat laat zich hooren, dat is vrij aannemelijk; dat laat zich denken, dat kan men zich zoo voorstellen;
— dat laat zich niet denken, dat is niet denkbaar;
— hij laat violen zorgen, leeft er onbekommerd op los;
— iets laten loopen, op zijn beloop laten, er geen werk meer van maken, er zich niet meer mee bemoeien;
— iem, laten varen, hem loslaten, zich niet meer met hem inlaten of bemoeien;
— een voornemen laten varen, het opgeven, er van afzien;
— van zich laten, de eene of andere stof. een geluid uit het lichaam laten een wind, een boer, een zucht laten; zijn water laten {slaan);
— toelaten, toestaan, gedoogen laat uw zoon meer vrijheid;
— laat ons gaan, bid ik u, verhinder niet enz.;
— overlaten, aan iem. laten, hem er over laten beschikken, afstaan ’t zij vrijwillig of gedwongen; ik laat er hem de eer van; de vijand moest het veld laten,
— ik kan het u voor dien prijs niet laten, niet afstaan, niet verkoopen;
— iem. de vrijheid laten;
— achterlaten, niet medenemen die zijn vrouw lief heeft, laat haar thuis; ik heb mijne paraplu in het rijtuig gelaten;
— hij moest er het leven laten, vond daar den dood;
— hij liet daar veel geld, ten gevolge van verteringen, (ook) hij verloor er veel;
— waar laat die jongen het eten, waar laat hij het blijven;
— nalaten, iets niet doen hij kan het jenever drinken niet laten; hij kan het maar niet laten te liegen;
— veroorzaken, doen, oorzaak zijn of maken dat iets geschiede: ik liet hem weten, dat ik den brief ontvangen had; hij liet zijn zoon (3e nv. d. i. voor zijn zoon) een nieuwen rok maken; hij liet zijn kleermaker (4e nv. d. i. door zijn kleermaker) een nieuwen rok maken;
— zijn knecht laten gaan, hem zijn afscheid geven;
— laten vloeien, aderlaten, bloed laten; hij werd tweemaal gelaten;
— (als hulpwerkw. van wijze) ter omschrijving eener aanvoegende wijs laten zij hem in den Theems smijten, ik zal waarlijk mijne handen niet nat maken, om hem te redden; laten wij elkander helpen, helpen wij elkander!