Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 27-09-2018

Nu

betekenis & definitie

bw. tegenwoordig, op het oogenblik: ik heb nu geen tijd;

— tot nu toe, tot heden, tot op dezen oogenblik;
— nu en dan, van tijd tot tijd, bij tijd en wijle;
— van nu aan (nadrukkelijker van nu af aan), voortaan;
— hij komt nu eerst aan, zooeven is hij aangekomen;
— onder deze omstandigheden: wat zal ik nu aanvangen;
— (ook) om den overgang van de eene gedachte tot de andere te vormen: nu gebeurde het echter. dat...; en nu weet ieder wel, dat zij toen reeds vijanden waren;
— -, voegw. daar, aangezien, naardien, ter inleiding van een bijzin die den bewijsgrond uitdrukt van de gedachte in den hoofdzin : nu het heilig woord der trouwe gegeven is, moet het ook dierbaar gehouden worden; nu ik dat weet, ben ik gerust;

—, tw. (om aan te sporen, op te wekken) wel aan : nu dan, verder!; om iem. aan te manen zich niet te overhaasten, zich niet ongerust te maken enz.: nu, nu, overhaast u niet; nu, wees maar bedaard;

— o. het tegenwoordige oogenblik : in ’t verleden ligt het heden, in het nu wat worden zal.