Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Klein

betekenis & definitie

dicht, en gew. ook KLEEN, I. bn. bw. (-er, -st),

1. (in ’t alg.) van minder dan middelmatige afmeting, niet groot: een muis is een klein dier; ik heb liever een grote appel dan een kleine ; een klein huis; een klein vlammetje; een klein stukje;
2. (van personen) kort, niet lang van gestalte: een klein kereltje; hij is maar klein voor zijn jaren; hij is veel kleiner dan ik; hij is klein maar dapper; iem. een hoofd kleiner maken, hem onthoofden;
3. jong, niet volwassen: toen je klein was; kleine meisjes; kleine kinderen worden groot; daar ben je nog te klein voor, nog niet oud genoeg voor ; iemands kleinere broer; — ook in aanspraak: kleine man; kleine meid;van klein (gew. en Zuidn. kleins) af, van kindsbeen af;
4. in zijn soort beneden anderen staande, minder in aanzien, rang, staat enz.; een klein ambtenaartje ; een kleine boer; kleine bazen, die öf alleen óf met weinig knechts werken; — bij qualitatieve ben.: kleine dieven, die maar voor een geringe waarde stelen ; — een kleine eter, die weinig eet; de kleine profeten, wier geschriften in de bijbel van geringere omvang zijn dan die der grote; — onaanzienlijk, van de geringe stand: de kleine man, de kleine burgerij, de kleine luiden;
5. in zedelijk of geestelijk opzicht niet groot, zwak, min : hardvochtige, zelfzuchtige, kleine mensen; klein en benepen van gedachten;zich klei?i voelen, zwak en machteloos ; zich klein maken, klein worden, bang, bevreesd ofwel nederig, ootmoedig worden;
6. van dieren en planten in bijz. opvatting: klein vee (ook aaneengeschreven), schapen, geiten en varkens; klein gevogelte; klein wild, hazen, patrijzen, korhoenders, snippen enz., in tegenst. met grof wild; — ook in wetensch. ben. en volksn.: klein barmsijsje; kleine wulp ; klein hoefblad; kleine weegbree enz.;
7. (van zaken, in betr. zin) van geringere grootte dan andere van dezelfde soort: klein brood, gebak, geld; klein ijzerwerk; klein vuur; de kleine teen, de kleine hersenen ; — de kleine steentjes, die aan de kant der straat, het trottoir; — klein hout, talhout; — iets klein maken, in stukjes verdelen (zie voorts Kleinmaken); alles kort en klein slaan, alles vernielen; — klein en rein, ook klein maar rein, netjes, proper; — (van afstand, uitgestrektheid, plaats en ruimte) een klein eindje, niet ver; met kleine schreden lopen; kleine dagreizen, waarbij men slechts enkele uren per dag reist; — een klein vertrek; een kleine stad; een klein landje ; (ook in aardrk. namen : KleinAzië; de Kleine Soenda-eilanden); — die jas is hem te klein, niet ruim genoeg; — een klein gaatje, van geringe middellijn; een klein mondje; — (zeew.) met klein zeil, met weinig zeilen op ; — van formaat: klein octavo; klein papier (nl. gezegeld); — kleine letters, gewone, geen hoofdletters; klein kapitaal, hoofdletters die even hoog zijn als gewone letters; — de kleine wijzer van een uurwerk, de korte, die de uren aanwijst; — de kleine bloedsomloop (zie ald.);
8. (van duur) kort: een kleine pauze; — (Zuidn.) de kleine uurtjes, de eerste uren na middernacht;
9. niet ten volle de genoemde grootte, maat, duur enz. hebbend: een kleine drie kilometer ; het is een klein jaar geleden; een kleine honderd gulden; — evenzo: het genoemde in het klein: zijn toast werd een kleine redevoering; een pistool dat eer een klein kanon leek;
10. niet talrijk, gering in getal, aantal of hoeveelheid: een klein gezelschap ; een kleine som; kleine getallen; (spr.) klein gewin brengt rijkdom in;
11. niet aanmerkelijk, gering, nietig: een klein verschil; — een klein beetje, ook als bw. uitdr.; — niet belangrijk : tot in de kleinste bijzonderheden; — beperkt: een klein verstand ; — niet sterk : voor geen klein geruchtje vervaard zijn ;
12. niet voornaam, niet weids of groots ; beperkt van opzet enz. : een klein postje; op kleine voet leven; kleine genoegens ; de kleine dingen die het leven veraangenamen; kleine bedrijven; — tegengesteld aan een gelijknamige zaak die groot genoemd wordt: een kleine boodschap ; de kleine kerk ; de kleine vaart; (mil.) klein tenue, gewone dienstuniform;
13. niet ernstig, licht: een klein bezwaar ; een kleine fout’,
14. van gering gehalte, laag, minderwaardig: klein bier (ook aaneengeschreven; vgl. Bier); klein gedoe; de kleine kant van iemand of iets; kleine zielen;
15. bw. (van wijze) op kleine wijze: klein schrijven, met kleine letters; wij zijn maar klein behuisd; kleiner gaan wonen, in een kleiner huis; — op lage wijze: dat was klein gehandeld; — geringschattend: klein van icm. denken, hem tot lage daden in staat achten ;

II. zelfst. gebezigd.

1. als bn.: geef mij die kleine maar; de kleinen en de groten ; zie voorts Kleine ; —

het kleine, wat klein is: het oneindig kleine; — het geringe, het onaanzienlijke : die het kleine niet eert, is het grote niet weerd; — met het kleine begint men, bij het grote houdt men op, van kleine leugens, diefstallen of misdaden gaat men tot grotere over;

2. zn. o., wat klein is : iets kleins; — (Zuidn.) een klein, een geringe moeite; — in het klein, op kleine wijze, op kleine schaal: een drukke straat is een wereld in het klein; in het klein werken; in het klein verkopen, en détail, bij de maat, per stuk enz.: daar verkopen ze alleen in het groot, niet in het klein;
3. in collect. zin: klein en groot was op de been, kinderen en volwassenen, oud en jong; geëerd door klein en groot, geringen en aanzienlijken ; — (diam.) steentjes, kleiner dan mêlé.