Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Ook

betekenis & definitie

vw. en bw.,

1. bovendien, daarenboven: zo wie u op de rechter wang slaat, keert hem ook de andere toe (Matth. 5 : 39); — (versterkt) niet alleen..., maar ook: niet alleen ik, maar ook allen die de waarheid gekend hebben (2 Joh. 1); — ook nog, bovendien nog : moet ik dat nu ook nog beleven? — ik ben er óók nog, ik heb het in mijn macht hier tussenbeide te komen;
2. evenzo, evenzeer: is uw vrouw wel, en de kinderen ook? — mij óók goed, uitdrukking van onverschilligheid ; — als ook, gelijk mede, evenzeer als: al zijn have bracht hij weder, als ook de vrouwen en het volk; — dat is ook iets!, dat is ook wat moois!, gezegd van onaangenaamheden; — dat is waar ook;
3. zelfs : ik zeg u, ook Salomo is niet bekleed geweest als een van deze (Luc. 12 : 27);
4. in toegevende bijzinnen, ter versterking van de concessieve betekenis: hij geeft veel aan de armen, al is hij ook zelf niet rijk;
5. dienovereenkomstig: ik had je toch gewaarschuwd, en het is ook gebleken dat ik gelijk had; —om een gevolg aan te duiden meest in verbinding met dan: de bewijzen waren overtuigend, hij is dan ook gestraft geworden ;
6. bij geval: hebt gij hem ook voorbij zien gaan? ; leest men ook een druif van doornen of vijgen van distelen? (Matth. 7 : 16);
7. in wensende zinnen of in uitroepen, toch: wat was hij ook een beste jongen !