Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Netjes

betekenis & definitie

bw.,

1. keurig, sierlijk, fraai: netjes gekleed; netjes gemeubileerd ; netjes geschreven ; — dat staat netjes ; vand. ook als praedicatief bn.: wat ben je netjes vandaag!
2. regelmatig, ordelijk: ga nu eens netjes zitten; schik de boel nu eerst eens netjes op ;
3. zoals het hoort, fatsoenlijk, manierlijk: iem. netjes behandelen; dat is niet netjes; kun je niet netjes met twee woorden spreken?