Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Huis

betekenis & definitie

o. (huizen),

1. bouwwerk of bouwsel dat tot woning voor mensen dient of geschikt is: een groot, een klein huis; een oud huis; een vochtig huis; een houten, een stenen huis; een huis van drie verdiepingen; een huis als een kasteel, een paleis, zeer groot en weelderig; zuinigheid met vlijt bouwt huizen als kastelen, de beoefening dezer deugden is de grondslag van rijkdom ; — een dubbel, een enkel, een anderhalf huis, een huis met resp. vensters aan weerskanten van de voordeur, aan één kant of met slechts één venster aan een der beide zijden; — een huis bouwen, kopen, huren (Zuidn. pachten); een eigen huis, waarvan men eigenaar is (tgov. huurhuis); een huis met tuin; huis en hof, zie Hof; — huis noch kluis was er te zien, geen menselijke woning hoegenaamd; — een gesloten huis, woonhuis waarin geen winkel wordt gehouden; — die in een glazen huis woont, moet geen stenen op zijn buurmans dak gooien, men moet geen beschuldigingen uiten als men zelf niet zonder schuld is; — huizen op iem. bouwen, veel vertrouwen in hem stellen; — hij sprong huizen hoog, hij was zeer verheugd ;

huis aan huis, aan, in elk der aan elkaar palende woningen: huis aan huis bellen; huis aan huis heerst de griep ; — als bep. van afstand: huizen ver te horen zijn; twee huizen verder; — hij kent geen letter zo groot als een huis, hij kan volstrekt niet lezen; — daar is dak op het huis, (in Zuidn.) daar zijn latten aan het huis, er zijn luisteraars in de buurt; — hij houdt het huisje bij het schuurtje, hij is spaarzaam in het grote en in het kleine, gaat in alles met overleg te werk; — huizen zijn kruizen, het bezit van huizen geeft veel beslommering en verdriet;—

2. (met betr. tot de bewoners) iemands woning, (zonder dat bepaaldelijk aan een gebouw wordt gedacht): te huis blijven; niet te huis zijn (zie verder Thuis); ik ga naar huis, naar mijn woning; ik kom van huis; hij is ver van huis, ver weg, in den vreemde; (oneig.) hij is ver van zijn onderwerp afgedwaald; ook (volkst.) niet goed snik; — bij iem. aan huis komen, door hem in zijn huiskring ontvangen woorden; — iem. in huis hebben, hem huisvesting verlenen ; — iets in huis hebben, in voorraad, voorhanden (inz. van spijs en drank); — met de deur in huis vallen, zonder inleiding dadelijk het doel zijner komst vertellen; — van huis, op- of onderschrift van een brief, aan de dagtekening voorafgaande;

niet van huis kunnen, aan huis en huisgezin gebonden zijn; — zij kan niet van huis, als ze uit logeren is, krijgt ze heimwee; (scheepst.) die schoot is nog wel een voet van huis, nog op geen voet na voorgehaald; — op het huis passen, toezicht houden terwijl de bewoners afwezig zijn ; — het huis alleen hebben, alleen thuis zijn : —met betr. tot het gezin: de heer (de vrouw, de dochter> des huizes ; de oudste dochter is in huis, maar de anderen zijn nog op kostschool; — hij is er als kiwi in huis, wordt behandeld als een eigen kind; — mijn huis staat voor u open, gij kunt komen zo vaak als ge wilt; — ergens aan huis komen, er bezoeken brengen, er ontvangen worden; — (Zuidn.) iemands deur, bel van zijn huis trekken, bij hem de deur platlopen, er veel komen; — zijn huis voor iem. sluiten, hem zijn huis verbieden, ontzeggen, hem uitsluiten van het verkeer in zijn woning en zijn gezin ; zij is het huis uitgejaagd ; — ergens huis houden, er zijn woning, zijn verblijf hebben ; met iem. huis houden, met hem samenwonen; (fig.) er is geen huis met hem te houden, er is niets met hem te beginnen, men kan met hem niet goed omgaan ; — zie voorts Huishouden ;

3. in toepassing op andere gebouwen dan woonhuizen: het huis des Heren, de kerk, bedehuis, godshuis; — het huis, de woning van de heer van het dorp, het kasteel: hij was op het huis genodigd;het Huis ten Bosch, het slot in het Haagse Bos ; — weeshuis, armenhuis, ziekenhuis enz.: de vader van het huis ; de onkosten werden door het huis gedragen ; — huis van verkoop met recht van wederinkoop, soort van lommerd of particuliere bank van lening; — huis van bewaring, gevangenis voor hechtenisstraf (tgov. strafgevangenis); huizen van ontucht, gemene, slechte, publieke huizen, bordelen; — kleiner of groter gebouw als verblijf voor dieren ; vgl. apen-, honden-, vogelhuis ; — bijgebouw; vgl. tuin-, zomerhuis;

zie voorts Huisje’,

4. (overdr.) (woning met) de bewoners, huisgezin, familiekring: vrede zij dezen huize (Luc. 10:5); het hele huis was op de been;ik heb Tiaar huis geschreven, naar ouders of familie; — na groeten van huis tot huis, van mijn huisgenoten aan uw huisgenoten (aan ’t einde van een brief); — elk huis(je) heeft zijn kruis(je), ieder gezin heeft zijn leed; — van huis uit (germ.), in oorsprong en in wezen;
5. gezin waarbij of waarvoor men werkt of waaraan men levert: de werkster komt niet alleen bij ons, ze heeft nog andere huizen;
6. geslacht, inz. vorstelijk geslacht: een aloud huis; het roemruchtig huis van Oranje ; het Koninklijk huis; de graven van Holland uit het Henegouwse huis; — van goeden huize, uit een deftige of welgestelde familie gesproten; fig. ook van zaken: van goede, edele soort; 7. huispersoneel; inz. de gezamenlijke leden van een hofhouding : het Huis des Konings ; het Civiele en het Militaire Huis van H. M. de Koningin ;
8. zij die in een gebouw vergaderen, bep. de gezamenlijke volksafgevaardigden: het Huis der Gemeenten (of Lagerhuis), het Huis der Lords (of Hogerhuis), in Engeland;
9. min of meer belangrijke handelszaak, koopmans-, handelshuis: er is een groot huis bankroet; de vertegenwoordiger van mijn huis zal u eerstdaags komen bezoeken;
10. (fig.) ons aardse huis, ons stoffelijk omhulsel;
11. (bij vergelijking) het huis van een kompas, het omhulsel er van (op een schip); — het huis van een bijl (schop, gaffel, houweel enz.), de ijzeren koker of ring, waarin de steel sluit, ook oog of dille geheten; — de tapse holte waarin de plug van een kraan draait; — het lichaam van een hijsblok, dat de schijf of de schijven omvat; — (sterr.) oude benaming voor de tekenen van de dierenriem: de twaalf huizen der zon.