Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Lopen

betekenis & definitie

I. (liep, heeft en is gelopen),

1. zich op de benen snel voortbewegen: hij liep wat hij kon; uit al zijn macht lopen; hij heeft de hele dag te lopen en te draven; lopen en springen; — hard (Zuidn. zere) lopen; — lopen als een haas, een kievit, de wind, snel lopen; — loop je niet, zo heb je niet;
2. zich met de benen voortbewegen; gaan: leren lopen; het is te ver om te lopen, om te voet te gaan; op handen en voeten lopen; op zijn kousen lopen; iem. in de weg, voor de voeten lopen; — boodschappen lopen; — in geen twee sloten tegelijk lopen, op zichzelf kunnen passen; — iem. tegen het lijf lopen, hem onverwachts ontmoeten; iem. achterna of -aan lopen; — (Zuidn.) verloren lopen, verdwalen; — met iets lopen, er mee venten of leuren: hij loopt met prentbriefkaarten langs de huizen; — met een infin. als bep.: hij loopt zijn schaatsen halen; lopen zoeken; — laten lopen, loslaten, vrijlaten; zich niet meer bemoeien met; (fig.) (Zuidn.) achter iets lopen, iets najagen; — uit elkaar lopen, verschillen; — recht in zijn schoenen lopen, eerlijk, oprecht handelen, in zijn ongeluk, zijn verderf lopen; — te hard van stal lopen, een zaak te voortvarend beginnen; — in een valstrik lopen; — in het oog lopen, zie Oog; — te gek zijn om los te lopen, (vooral van zaken gezegd) al te dwaas zijn; — lopen met —, (van jongens en meisjes) omgang, verkering hebben; hoog met iem., met iets lopen, er zeer mee ingenomen zijn; — tegen de lamp lopen, gepakt, betrapt worden;
3. (meest in verb. met gaan) vluchten, op de loop gaan: toen de invasie geslaagd was, moesten de moffen gaan lopen; het op een lopen zetten;
4. rondzwerven: er loopt kwaad volk;op een meisje lopen, overal trachten haar te ontmoeten; — in ’t honderd lopen, (van personen) doelloos rondlopen; (van zaken) verkeerd, in de war raken; — (Zuidn.) er eentje lopen hebben, een onecht kind hebben;
5. door lopen in een bep. toestand brengen: zijn schoenen scheef lopen; zich buiten adem lopen; zich moe lopen; zich de benen van ’t lijf lopen; de deur plat lopen, zie bij Deur; — de zolen van zijn schoenen lopen, zich voor iets uitsloven, geen moeite ontzien;
6. zich begeven: voor alle wissewasjes loopt hij naar de dokter; naar de kroeg lopen, die vaak bezoeken; — loop(t)! (uitroep), maak dat je wegkomt; ben je mal!; loop naar de maan, naar de duivel! te hoop, te wapen lopen; — college lopen, de colleges bijwonen; — het loopt er druk, er komen veel bezoekers, klanten, enz.;
7.(van zaken) zich (laten) voortbewegen: die fiets loopt goed; — rijden, dienst doen: deze trein loopt ’s Zondags niet;de zeilen laten lopen, ze strijken, ze laten vallen; — de zaag loopt, ze volgt de aangegeven lijn niet; de heipaal loopt, gezegd wanneer deze onder het inheien niet recht, maar min of meer draaiend naar beneden gaat; een kist laten lopen of wandelen, ze schommelend vooruitbrengen; — (zegsw.) krakende wagens lopen het langst, ziekelijke, klagende mensen leven het langst; — van gewaarwordingen: een rilling liep over haar leden; — van stapel lopen, zie Stapel;
8. vloeien, stromen: het water loopt door de goot; het bloed loopt uit de wonde; de wijn liep uit het vat; het zweet liep hem langs het gezicht; door een doek lopen, doorzijgen; — (zegsw.) het water loopt altijd naar de zee, wie veel geld heeft, wordt gewoonlijk door de fortuin begunstigd; — bij overdracht ook van dat waardoor, waaruit of waarin iets loopt: de goot loopt; het vat, de kraan loopt niet meer; — haar ogen lopen, tranen; mijn schoenen lopen vol water;
9. varen (van schepen en hun opvarenden): het schip loopt negen mijlen; hard lopen; — op de rede lopen; de vloot loopt in zee; een schip op zij lopen, het op zij varen; een zekere vaart lopen; — (fig.) ’t zal zo’n vaart niet lopen, het zal zo erg niet worden;
10. (van werktuigen) in beweging, in werking zijn: de motor loopt langzaam; een goed lopend uurwerk;warm lopen, door te sterke wrijving warm worden;
11. (van geruchten) in omloop zijn: er lopen dwaze praatjes over u;
12. naderen: het loopt naar half zes; het loopt naar de tweeduizend gulden; het loopt tegen de avond;
13. (van de tijd en wat daarin voorvalt) voortgang hebben: het eerste tijdperk loopt tot 1100; — de contracten liepen nog; — zich uitstrekken over: dat werk loopt over heel wat jaren; — (van geldelijke verplichtingen) duren, betaald moeten worden: de rente begint te lopen van de 1ste tot de 15de der maand;
14. aangetroffen worden, zijn: een vriend gelijk er weinig lopen; (Zuidn.) zot lopen; — met de sleutel op zak lopen; ze loopt gekleed, alsof ’t alle dagen Zondag was; — lopen voor, een figuur maken als: je loopt gewoon voor gek met dat gestreepte jasje! ze loopt voor schandaal, ze ziet er schandalig gekleed uit; — er onder lopen, er zich tussen bevinden, aangetroffen worden: er loopt heel wat kaf onder het koren;
15. zich vertonen, bestaan: er loopt veel spikkel in ’t dek der tabaksbladeren; — lopen voor rekening van, ten laste van; de interest loopt ten voordele van de directeur; er loopt nogal eens een slecht jaar tussen;
16. zich uitstrekken, gelegen zijn: dit gebergte loopt van het Oosten naar het Westen; deze laan loopt dwars door het bos; deze lijnen lopen evenwijdig; deze weg loopt naar Haarlem, geleidt; — lopen over, (fig.) betrekking hebben op;
17. zich ontwikkelen: wie weet hoe de zaken zullen lopen!; och, dat loopt wel, ’t zal nog best gaan; — het lope (loopt) hoe het (ook) loopt, maar ik moet hem vanavond spreken, in ieder geval; — zich afwikkelen: deze versregel loopt niet; — zich naar zeker punt bewegen: een twist die nogal hoog liep; ook met betr. tot waarden: hoog (in prijs) lopen; het aantal loopt in de duizenden; — geraken: in de war lopen;
18. blootgesteld zijn aan: avontuur, gevaar, kans, risico lopen;
19. (met verwisseling van object): deze schoenen lopen gemakkelijk; — deze weg loopt moeilijk; — dit biljart loopt goed, de ballen lopen er goed overheen.

II. o., (veroud. en gew.) inhoudsmaat voor droge waren: een lopen koren.