Wat is de betekenis van Klein?

2018
2020-11-23
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

klein

klein - bijvoeglijk naamwoord 1. wie of wat weinig ruimte inneemt ♢ ze is klein voor haar leeftijd 1. een klein eindje [een kort stukje] 2. ik krijg hem wel klein ...

Lees verder
2017
2020-11-23
Leendert Brouwer

CBG|Familienamen

Klein

Oorspronkelijk een bijnaam voor iemand met een klein postuur: de kleine.

1998
2020-11-23
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Klein

1. de -e jongen, schertsende ben. voor het mannelijk lid. Vgl. ook het Duitse kleiner junge; klei- nerHerr. Zie ook zijn jongeheer een henadjegeven. Een grotejongen is een penis in erectie. Vgl. liever een kleine die steigert, dan een grote die weigert. 2. Wat nu, -e man?, titel van een boek van Hans Fallada (Kleiner Mann was nun?, 1932). Ondertuss...

Lees verder
1998
2020-11-23
drs. Toine van Hoof

AUTEUR VAN HET BRIDGE WOORDENBOEK - "BRIDGE OPZOEKBOEK" (UITGAVE 1998)

klein

1. Van een kleur: kleintje van die kleur. Voorbeeld: een kleine schoppen. 2. Commando van de leider aan de dummy om de laagste kaart in de gevraagde kleur bij te spelen. 3. Kort voor: met één kleintje. Bijvoorbeeld: heer-klein.

Lees verder
1994
2020-11-23
Lexicon Nederland en België

Lexicon van de geschiedenis van Nederland & België

Klein

Klein, Gerrit, Nederlands politicus, *4.9.1925 Den Helder. Klein studeerde van 1942-1945 wis- en natuurkunde aan de Gemeente Universiteit in Amsterdam; hij weigerde de → loyaliteitsverklaring te tekenen en werd in mei 1943 naar Duitsland gedeporteerd. In 1944 slaagde hij erin terug te keren. Klein nam na de bevrijding van Noord-Brabant dienst als o...

Lees verder
1990
2020-11-23
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

klein

klein - Van geringe omvang of betrekkelijk beperkte afmetingen, vooral in vergelijking met andere, soortgelijke zaken.

1973
2020-11-23
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

klein

I. bn. en bw. (-er, -st), 1. (in het algemeen) van minder dan middelmatige afmeting, niet groot: een muis is een — dier; een — huis; 2. (van personen) kort, niet lang van gestalte: een kereltje; iemand een kopje kleiner maken, hem onthoofden; 3. jong, niet volwassen: toen je — was; kleine kinderen worden groot; ook in aanspraak:...

Lees verder
1898
2020-11-23
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Klein

Het begrip klein heeft 2 verschillende betekenissen: 1. klein - KLEIN, (dicht, en gew. ook) KLEEN, bn. bw. (-er, -st), van minder dan miidelmatige afmeting, niet groot: eene muis is een klein dier; ik heb liever een grooten appel dan een kleinen; — klein wild, hazen, fazanten, patrijzen enz. in tegenst. met grof wild; — (van personen)...

Lees verder
1870
2020-11-23
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Klein

Klein. Onder dezen naam vermelden wij: Ernst Ferdinand Klein, een verdienstelijk Pruissisch regtsgeleerde. Hij werd geboren te Berlijn in 1743 en de door hem uitgegeven geschriften waren oorzaak, dat hij naar Berlijn geroepen werd, waar hij zich belast zag met het ontwerpen van een nieuw strafwetboek en met de hervorming der procedure. In 1786 werd...

Lees verder

Gerelateerde zoekopdrachten