Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Jong

betekenis & definitie

Het begrip jong heeft 2 verschillende betekenissen:

1. jong - JONG, bn. bw. (-er, -st), tegenstelling van oud, jeugdig, nog weinig jaren tellend (van personen en dieren): jonge kinderen; jonge lieden; jong en oud was op de been; een jong paard; een nest met jonge ratten;
— (fig.) jong Holland, politieke of litteraire fractie, die op nieuwe grondslagen wil bouwen;
— van jongs af, van der jeugd af;
— op jeugdigen leeftijd : hij is jong gestorven; zij was reeds jong getrouwd;
— wij kunnen het niet jonger doen, gezegd wanneer men iets doet waarvoor men eigenlijk al te oud is;
— jong gewend, oud gedaan, wat men in zijne jeugd leert, kan of kent men, als men oud is;
— sedert korten tijd in zekeren toestand verkeerend, onbedreven, onervaren : de jongste bediende, die het laatst aangesteld is; het jonge paar, pas gehuwde man en vrouw; wat wou zoo'n jong broekje ; daar nu van weten ?;
— (van planten) nog niet volgroeid: het jonge : hout; jonge salade;
— (van dranken) nieuw, versch : jonge wijn; jong bier, (ook) het bier, dat na de hoofdgisting in zeer koele kelders op de ligvaten wordt gebracht met het oog op de nagisting;,
— jonge melk, melk van eene koe kort na het kalven (bijv. 14 dagen na de biest);
— jonge kaas, nog niet belegen;
— wat bij iets jongs hoort, aan jonge menschen eigen is : gij hebt jonger beenen dan ik; zijn hart is nog jong;
— nog nieuw, nog niet lang geleden, laatste; in den jongsten veldslag zijn vele officieren gesneuveld; de jongste berichten zijn niet verontrustend;
— de jongste dag, de laatste dag der wereld, dag des oordeels; het jongste gericht, het laatste oordeel.

2. jong - JONG, o. (-en), pas geboren dier: jongen werpen, jongen krijgen; dieren, die levende jongen ter wereld brengen;
— (spr.) aap, wat hebt gij mooie jongen, zie aap; zoo de ouden zongen, piepen de jongen (of : zo) de ouden pijpen, zingen de jongen), de kinderen doen als hunne ouders; evenzoo: zulk een tronk, zulk een jonk;
ook van kinderen, jongen of meisje : een aardig jong; een ondeugend jong;
— (plat) met jong zitten, zwanger zijn; iem. met jong schoppen, haar bezwangeren.