Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-11-2018

Ondeugend

betekenis & definitie

Ondeugend bn. (-er, -st), aan ondeugd overgegeven, zedelijk slecht, (w. g.): nu vind ik dat een mensch ’s avonds altijd iets beter is, of minder ondeugend liever, dan ’s morgens;

— stout, ongezeglijk, brutaal: uw ondeugend gedrag; ondeugend kind, dat je bent;
— niet goedig, niet vergoelijkend, guitig, spotachtig, plaagziek : geestig en ondeugend was hij van natuur; als hij die anekdote vertelt, kijkt hij altijd zoo ondeugend;
— (fig.) hij is ondeugend geweest, heeft van de kaas gesnoept.
ONDEUGENDHEID, v. (...heden), slechtheid, kwade neiging ; stoutheid van kinderen; schalkschheid.