Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 30-08-2018

Aardig

betekenis & definitie

AARDIG, bn. en bw. (-er, -st), (van personen) geestig, grappig, flink: een aardige jongen;

lief, aanvallig van uiterlijk, (van kinderen, meisjes);
aangenaam of lief in den omgang: een aardig mensch;
— (iron.) laf, onbevallig, onaangenaam, vreemd, wonderlijk : wel, dat is aardig !; wat zijt gij aardig flauw;
— (Zuidn.) zonderling, ongewoon; (ook) ongesteld, onpasselijk: hij is in de kerk aardig geworden;
— (gew.) ik krijg zoo*n aardig gevoel, ik word duizelig; hij deed zoo aardig, vreemd, wonderlijk; wees nu niet aardig, ongepast geestig;
— dat is aardig van u, dat verwondert mij van u;
— (van zaken) lief, bevallig, fraai: een aardig tuintje;
— welgevallig, aangenaam, genoeglijk: iets aardig vinden, er behagen in scheppen;
— welwillend, vriendelijk, heusch : iets niet aardig van iem. vinden, het onheusch achten, zich er min of meer gekrenkt door gevoelen;
— vrij groot, nogal aanmerkelijk: een aardig sommetje, (ook iron.) eene aardige portie voor iem. die honger heeft;
— op eene aardige, geestige, lieve, bevallige, aangename of vriendelijke wijze;
— (iron). in vrij groote mate: het is aardig koud; het heeft aardig gesneeuwd.