Wat is de betekenis van Tronk?

2020
2022-05-20
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

tronk

(19e eeuw) (Ned.- Indië) primitieve gevangenis. • De gevangenen huizen in de ‘boei’, d.i. gevangenis, te Mangkasar en elders in ZW Celebes, evenals in Zuid-Afrika ‘tronk’ genoemd. (De Gids. Jaargang 39. 1875) • Tronk, (afr.), gevangenis. (Taco H. de Beer en E. Laurillard: Woordenschat, verklaring van woorden...

Lees verder
2017
2022-05-20
Soldaten

Jargon & Slang van Soldaten

Tronk

Tronk - benaming voor een primitieve gevangenis in Ned.-Indië. Wellicht is het woord afkomstig uit Portugees tronco = boomstam, blok.

1993
2022-05-20
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Tronk

afgeknotte boom

1973
2022-05-20
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Tronk

m. (—en), afgeknotte boomstam.

1950
2022-05-20
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Tronk

m. (-en), 1. afgeknotte boomstam; afgeknotte boom. 2. (gew., Z.-A.) gevangenis.

Lees verder
1948
2022-05-20
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

tronk

(Z.A.) m. gevangenis.

1937
2022-05-20
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

tronk

I. m. -en (Fr. tronc, Lat. truncus): afgeknotte boomstam; (- I = - II). II. m. -en; Z.-Afrika: gevangenis.

Lees verder
1898
2022-05-20
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Tronk

Tronk - m. (-en), afgeknotte boomstam; (gew.) (Z. A.) gevangenis. TRONKJE, o. (-s).