Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

WEINIG

betekenis & definitie

WEINIG, onbep. hoofdtelw. (minder, minst), in geringe hoeveelheid, het tegenovergestelde van veel; hij verdient weinig geld; ik heb er weinig zin in ; dat kost u weinig moeite ; in weinig tijds, in korten tijd; binnen weinige uren, een paar uren; niet weinig tevreden zijn;

— weinig, maar uit een goed hart, gezegde waarmede men een geschenk aanbiedt dat men zelf te klein, te gering acht; weinigen wisten het; dat is al te weinig, veel(s) te weinig; (hetzelfde wat bij veel opgemerkt is, geldt ook voor weinig);
— bw. van hoeveelheid en graad : ik geef er weinig om; hij eet weinig ;
— hij weet er weinig van, heeft daar niet veel verstand van, (ook) is er vrij ongevoelig voor, trekt het zich niet veel aan ;
— bw. van tijd ; zelden, niet dikwijls : hij is weinig thuis ; ik kom er weinig ;

—, o. een weinig, eene geringe hoeveelheid; geef mij een weinig brood ; het weinige dat ik bezit; een weinig zuurdeesem verzuurt het geheele brood; een weinig slapens, sluimerens. WEINIGHEID, v. (w. g.). WEINIG JE, o. eene zeer geringe hoeveelheid : het scheelde maar een weinigje, heel weinig. WEINIGTE, v. ongenoegzaamheid, het onvoldoende.