Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-09-2018

Been

betekenis & definitie

1. BEEN, o. beenige zelfstandigheid: dat lijkt wel been;

— in been werken, voorwerpen van been maken.
2. BEEN, o. (beenderen), deel van een geraamte der gewervelde dieren;
— het is vel over been, gezegd van iem. die broodmager is;
— er is geen vleesch zonder been, men kan niet alles krijgen, zooals men ‘t hebben wil; (ook) alles heeft zijne schaduwzijde, geene lusten zonder lasten;
—(fig.) geen been in iets vinden, ook: ergens geen been in zien, geen bezwaar opperen, geene zwarigheden maken, inz. gezegd van iets dat min of meer verboden is;
— twee honden over één been, twee belanghebbende personen die over eene zaak twisten, vechten;
— (spr.) als twee honden vechten om een been, loopt een derde ermee heen, oneenigheid, twist veroorzaakt meestal schade, het is beter iets in der minne te schikken;
— iem. een been te kluiven geven, zwarigheden in den weg leggen, moeite veroorzaken;
— de koude dringt door merg en been, het is vinnig koud;
— een gil die iem. door merg en been gaat, een hartverscheurende gil;
— een autocraat in merg en been, door en door;
— hij klaagt steen en been, verschrikkelijk.
3. BEEN, o. (beenen), lichaamsdeel bij menschen, bestaande uit dij of bovenbeen, onderschenkel en voet; inz. het gedeelte van de enkels tot het heup gewricht; een been breken; je zou armen en beenen er bij breken, een ongeluk krijgen;
— een houten been, een houten toestel waardoor men een afgezet been vervangt;
— de beenen van een paard; (ook van enkele vogels; van dieren over het algemeen , poot);
— (fig.) men kan op één been niet loopen, scherts, gezegd tegen iem. die bedankt, wanneer hem voor de tweede maal een glaasje wordt aangeboden;
— op de been zijn, werkzaam zijn, zich bewegen; (ook) veel loopen; (ook) weder ten deele hersteld zijn van eene ziekte;
— ik kan niet meer op mijne beenen staan, zoo zwak, zoo vermoeid ben ik;
— zich op de been houden, zich ziekelijk gevoelen, en toch niet naar bed gaan; (ook) zijne zaken met moeite staande houden;
— op zijne eigen beenen staan, zijn eigen baas zijn;
— iem. op de been helpen, houden, staande houden, (ook fig.);
— dat staat op zijne beenen (meestal pooten), dat is flink gezegd, gesteld, is een vierkant antwoord;
— de leugen heeft korte beenen, de waarheid achterhaalt ze, de leugen houdt geen stand;
— met het verkeerde been uit bed gestapt zijn, kwaadgeluimd wezen, eene booze bui hebben;
— afdruipen met den staart tusschen de beenen, (eig. van honden gezegd, fig. van menschen) beschaamd heengaan;
— (Zuidn.) de beenen onder tafel steken, aanzitten, gaan eten;
— het zal afvallen, wanneer gij de beenen onder eens anders tafel steekt, wanneer gij het brood van vreemden eten moet, wanneer gij bij vreemden n betrekking zijt;
— de beenen slepen hem na, hij is ten hoogste vermoeid;
— het zijn sterke beenen, die de weelde kunnen dragen, in weelde en voorspoed gaat men zich licht te buiten;
— op hooge beenen komen aanloopen, om iem. op hoogen toon te berispen;
— (plat) zij heeft den buik met beenen, (voor beenderen) gezegd van een ongehuwd meisje dat spoedig bevallen moet;
— hij gaat met het eene been in ‘t graf, leeft zijne laatste dagen;
— hij loopt op zijne laatste beenen hij is haast dood; (ook) hij zal weldra uit zijne betrekking ontslagen worden; (ook) hij heeft zijn laatste geld uitgegeven;
— wel ter been zijn, vlug kunnen loopen;
— je hebt nog jonge beenen, gezegd tegen iem. die eene boodschap enz. moet doen en bezwaren maakt;
— een leger op de been brengen, het uitrusten;
— weder op de been komen, van eene ziekte opstaan, (ook) zijne zaken weder zien vooruitgaan;
— beenen maken, vluchten, gauw wegloopen;
— iem. beenen maken, op de vlucht jagen; (ook) aansporen, aanzetten;
— een blok aan zijn been hebben, niet vrij zijn, in iets gehinderd worden; (ook) getrouwd zijn;
— (Zuidn.) iets aan zijn been hebben, bedrogen zijn, inz. eene slechte waar gekocht hebben;
— (gew.) die molen loopt met bloote beenen, zonder zeilen;
— loopt op bloote beenen met de nagels van zijne teenen, zonder zeilen of borden;
— bovengedeelte van eene kous;
— nederhaal van eene letter;
— puntig uiteinde van een voorwerp (b. v. van een waaier enz.);
— (wisk.) de beenen van een hoek, de lijnen die een hoek begrenzen;
— de beenen van een driehoek, een trapezium, de twee opstaande zijden.