Aap betekenis & definitie

AAP, m. (apen), vierhandig zoogdier (simia), dat leelijk en boosaardig is en gaarne nabootst (naäapt); — (spr.) een gezicht als een aap, zeer leelijk; — een aangekleede aap, een bespottelijk leelijk mensch, (ook) iem. die opzichtelijk aangekleed is; — hij is een rechte (malle) aap, stelt zich belachelijk aan; — kinderen zijn apen, bootsen na wat ze van anderen zien; — iemands aap zijn, iem. in alles volgen; — (Zuidn.) iem. voor den aap houden, voor den gek; — aap schimpnaam (voor kinderen en een leelijk mensch); een aap van een vent, — (w. g.) hij dient daar als een aap in de porseleinkast, zal in die betrekking veel goeds bederven; — (w. g.) hij haspelt ermee als een aap in een lint(of garen-) winkel, stuurt alles in de war; — (w. g.) dat is een aap in een garenwinkel zetten, een zeer dwaas besluit nemen; — hij heeft (houdt) den aap in de mouw, verbergt zijne streken, zijne slinksche oogmerken; — daar kwam (keek) de aap uit den mouw, toen bleek zijne eigenlijke bedoeling; — aap wat heb je mooie jongen-spelen (tegen zijn zin, doch meestal door de omstandigheden genoodzaakt) iem. vleien en flikflooien om hem gunstig te stemmen, niet tegenspreken om verdere onaangenaamheden te voorkomen; — als apen hooge klimmen willen, ziet men vaak hun bloote billen, hoogmoed komt voor den val; — al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een leelijk ding, fraaie kleeren maken alleen den man niet; — wat van apen komt, wil luizen, men kan moeilijk zijne slechte afkomst verbergen; — dat ware den aap gevlooid, gezegd van een onbegonnen werk; — wat gaat gij doen ? ik ga den aap vlooien en gij kunt den zak ophouden, (gemeenz. tot een al te nieuwsgierige gezegd); — (meestal opgespaarde) som gelds, schat : hij heeft den aap beet, binnen, thuis, weg; wij hebben den aap binnen, de erfenis; — den aap aanspreken, zijne spaarpenningen gebruiken; — den aap vlooien, zijne spaarpenningen tellen; — de aap is gevlogen, het geld is zoek; — hij heeft den aap gevonden, hij is goed af; — in den aap gelogeerd, tegen verwachting in moeilijkheden, er slecht aan toe zijn; — teekenaap of pantograaf;— (scheepst. veroud.) storm bezaanstagzeil, stormaap.