Gepubliceerd op 06-12-2018

VINGER

betekenis & definitie

VINGER - m. (-s, -en), een van geledingen voorzien deel der hand of van den voet; aan een handschoen dat gedeelte, hetwelk een der vingers bedekt; de kleine vinger, de pink;

— lekker is maar een vinger lang, genot is snel voorbij;
— (fig.) de vinger Gods, blijk van Gods Almacht;
— de taal der vingers, het met de vingers spreken der doofstommen;
— de twee vingers omsteken, gebruikelijk bij het afleggen van een eed;
— (in spr.) ergens de vingers voor durven opsteken, het voor volle waarheid verklaren;
— den vinger op den mond leggen, zwijgen, niets oververtellen;
— hij is er de vinger naast den duim, hij is er onmisbaar;
— ik kan hem met een natten vinger beloopen, ik zie hem in mijne tegenwoordigheid, hij is hier aanwezig;
den vinger leggen op de wonde plek, de wonde plek juist aanwijzen, (ook fig.);
— iem. met de vingers nawijzen, die iets schandelijks heeft gedaan;
— gij zult er uwe vingers niet blauw aan tellen, (ook) gij zult er uwe vingers niet aan vuilmaken, er niets van krijgen;
— vinger en duim naar iets likken, het gaarne willen hebben;
— als men hem een vinger geeft, neemt hij de geheele hand, door eene kleine gunst of vrijheid verstout hij zich tot hetgeen ongeoorloofd is;
— aan eiken vinger een (een vrijer, eene vrijster), ik ben om jou niet verlegen;
— hij laat zich om een vinger winden, hij is zeer zachtaardig;
— ik kan hem om mijn vinger winden, hij is voor mij in alles even gewillig, ik kan met hem doen wat ik wil;
— iets door de vingers zien, doen alsof men het niet opmerkt, oogluikend toelaten, iets vergeven;
— het geld druipt, gaat gauw door de vingers, is gauw uitgegeven;
— iets uit den vinger zuigen, verzinnen;
— als met den vinger aanwijzen, zeer duidelijk voorstellen of bedoelen;
— iem. op de vingers tikken, kloppen, hem berispen;
— iem. op de vingers zien, streng op hem letten;
— de vingers jeuken mij, ik heb zeer veel lust, tot straf klappen uit te deelen, tegen iets te schrijven enz.;
— iets, iem. in de vingers krijgen, in handen;
— hij heeft zich in den vinger gesneden, onhoorbaar een wind gelaten; zijn, zich de vingers branden, zich (onwetend) aan iets vergrijpen en daarvan nadeel ondervinden;
— lange vingers hebben, diefachtig zijn;
— het blijft aan de vingers kleven, het wordt stil achterwege gehouden. VINGERTJE, o. (-s), kleine vinger.

< >