Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 12-09-2018

2018-09-12

Handschoen

betekenis & definitie

HANDSCHOEN, m. (-en), een kleedingstuk van leder, ijzer, zijde of garen, waarmede men de hand bedekt: handschoenen aantrekken; een paar witte handschoenen;

— ’t is geen katje om zonder handschoenen aan te vatten, ‘t is een vinnig, een nijdig persoon, iem. die van zich afbijt, (ook) 't is eene netelige zaak;
— iem. den handschoen toewerpen, hem ten strijde dagen, (ook) den strijd met hem aanvaarden;
— den handschoen opnemen, den strijd aannemen;
— den handschoen voor iemand opnemen, zijne partij kiezen, zijne verdediging op zich nemen;
— met den handschoen trouwenJ huwen bij volmacht, waarbij de vrouw het huwelijk sluit met den gemachtigde van den afwezigen bruigom. HANDSCHOENTJE, o. (-s), kleine handschoen;
— (Ind.) dame die met den handschoen getrouwd is;
— (Z. A.) slingerplant die bloemen draagt welke op handschoentjes gelijken, soort van kamperfoelie.