Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 22-11-2018

Plek

betekenis & definitie

Plek v. (-ken), grooter of kleiner deel der aardoppervlakte; het is hier eene mooie plek; een plekje grond; een uitstekend plekje om eene villa op te bouwen;

plaats: het boek lag nog op dezelfde plek;
— plaats aan het lichaam van mensch of dier, die zich door iets bijzonders onderscheidt: hij krijgt al kale plekken op het hoofd; blauwe plekken op den arm; roode plekken in 't gezicht;
— vlek: dat zijn leelijke olieplekken;
— (gew.) in plek van, in plaats van. PLEKJE, o. (-s), kleine plek;
— (gew.) eene kleine hofstede, waar men geene paarden houdt; een koeiplekje, waar men koeien houdt; een geiteplekje.