VOET betekenis & definitie

VOET - m. (-en), lichaamsdeel van mensch en dier dat hun tot steun dient; inz. bij menschen het onderste gedeelte van het been beneden den enkel: bij dieren heet dat gedeelte poot of klauw ; de mensch en de vogels hebben twee voeten; zijn voet is verstuikt; — op bloote voelen gaan, zonder kousen of schoenen aan ; op handen en voeten kruipen; — de zieke kan geen voet verzetten, van zwakte; — ik kan geen voet verzetten, of hij bemoeit er zich mede, hij bemoeit zich met al mijn doen en laten ; — geen voet buiten de deur zetten, niet uitgaan ; — ik zet daar geen voet meer in huis, ik wil hen niet meer bezoeken;—voet aan wal zetten, landen;—te voet reizen, al wandelende, loopende; — te voet dienen, bij de infanterie dienen; — het leger te voet, het voetvolk, de infanterie;—van het hoofd tot de voeten gewapend, geheel en al, zwaar gewapend ;— (schild.) een portret ten voeten uit, geheel en al niet alleen buste; — (in spr.) de voeten onder een andermans tafel steken, in iemands dienst zijn bij wien men tevens in den kost is ; — met den eenen voet in het graf staan, reeds oud en afgeleefd zijn; — iem. (voor iem.) te voet vallen, voor hem knielen, hem iets afsmeeken; — iem. voeten maken, op de vlucht jagen; — zich uit de voeten maken, vluchten; — iem. den voet lichten, hem onderkruipen ; — iem. den voet dwars zetten, hem tegengaan, hem in zijn pogen belemmeren, tegenwerken; — den overwonnenen de voeten spoelen, hen in zee verdrinken ; natte voeten hebben, dronken zijn ; — hij gaat zeven voet diep, hij is dronken ; — iem. op den voet volgen, van nabij ; — een (schriftelijken) aanval, betoog op den voet volgen, punt voor punt nagaan; — de straf volgde de misdaad op den voet, bleef niet lang uit; — iem. iets voor de voeten gooien, verwijten— voet krijgen, invloed, steun; iem. (in het kwade voet geven, sterken, stijven ; — een voet in den stijgbeugel hebben, aan het begin van zijn voorspoed, vooruitgang zijn; — het heeft heel wat voeten in de aarde, het kost heel wat moeite; — dat gaat zoo ver als het voeten heeft, als de omstandigheden het toelaten;—voet bij stuk houden, niet wijken, niet loslaten; (ook) van zijn onderwerp niet afdwalen ; — onder den voet geraken, in eene groote menigte vallen en vertreden worden; — iem. onder den voet houden, in bedwang houden, hem onderdrukken; — iem. met voeten trappen, hem onderdrukken ; — de wet met voeten treden, moedwillig overtreden; — iets onder den voet halen, het afbreken, sloopen; — de grond brandt mij onder de voeten, van ongeduld kan ik niet langer blijven; — iem. het gras voor de voeten wegmaaien, hetzelfde zeggen wat een ander juist van plan was te zeggen ; — zich met handen en voeten tegen iets verzetten, met alle kracht; — handen en voeten zijn hem gebonden, hij is geheel machteloos; — iem. op vrije voeten stellen, de vrijheid geven ; — voor den voet weg iets geven, verkoopen, zonder uit te zoeken ; — op staanden voet, dadelijk; — spierachtige verdikking der huid bij de weekdieren die tot bewegingsorgaan dient: de slijmige voet der slakken; — de baard der schelpdieren ; — (plantk.) de voet van bollen, de schijf ; — deel eener kous dat den voet bedekt; (breist.) nieuwe voeten aanbreien ; den voet zetten, in den voet minderen; — afdruksel van een voet: er staan voeten in het zand ; vuile voeten op een kleed zetten; — (slag.) vierde deel van een stuk slachtvee: eene geslachte koe wordt aan 4 voeten vervoerd, n.l. twee achtervoeten en twee voorvoeten; een voet vleesch in de kuip hebben ; — alles wat tot steun dient, het onderste gedeelte van iets : de voet van eene tafel, een glas, eene lamp ; aan den voet van een berg; — aan den voet van den brief, onderaan, op het einde ; ophelderende aanteekeningen aan den voet der bladzijden; — lengtemaat (als meetkunstig teeken door ‘ aangeduid): een Amsterdamsche voet = 0,284 M.; een Rijnlandsche voet ~ 0,314 M.; die plank is 10 voet lang en 1 voet breed; drie voet in ’t vierkant; — geen voet wijken, toegeven, stand houden ; — versmaat: een regel van 6 voeten, Alexandrijn; een regel van 5 voeten, hexameter ; — wijze van muntberekening, muntvoet, maatstaf ; — wijze van doen : alles is weer op den ouden voet, zooals het vroeger geweest is ; — op een grooten voet leven, veel geld uitgeven ; — op gelijken voet met elkander omgaan ; — de zaak zal op denzelfden voet worden voortgezet, op dezelfde wijze; — zij staan op een goeden, vertrouwelijken voet met elkander, zij gaan goed, vertrouwelijk met elkander om ; — op een gespannen voet met iem. staan, niet vriendschappelijk, zoo dat de goede verstandhouding licht verbroken wordt; — op voet van vrede, van oorlog, alsof het vrede, oorlog was; — alles was er op Franschen voet ingericht, zooals de Franschen gewoon zijn.