Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

2018-12-06

VOORZIEN

betekenis & definitie

VOORZIEN - (voorzag, heeft voorzien), vooruit, vroeger zien : dat heb ik voorzien;

— daarin heeft de wet voorzien, dat is bij de wet geregeld;
— wij zullen daarin voorzien, wij zullen het verhelpen, er voor zorgen ;
— in eene behoefte voorzien, daarin te gemoet komen ;
— verzorgen van, verschaffen : iem. van geld, van levensmiddelen voorzien: de booten van roeiers voorzien, ze bemannen;
— zich voorzien van, zich in het bezit stellen van, zich (iets) aanschaffen; zich van geld, van boeken voorzien;
— (zeew.) een touw voorzien, bekleeden ;
— (fig.) het op iem. voorzien hebben, op hem gemunt hebben; ik heb het niet op hem voorzien, ik vertrouw hem niet. VOORZIENING, v. (-en), het voorzien.