Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

Gepubliceerd op 26-09-2020

2020-09-26

kijken

betekenis & definitie

('kijkən) (keek. keken; heeft gekeken)

1. de blikken richten naar iets, inz. met opmerkzaamheid : en de oude stond te -; tegen iets aan ; en hij kijkt met zijn [open] mond; gek. boos, mal, raar, sip, vreemd staan of zitten -; iemand strak, vlak in de ogen, in ’t gezicht -; verlegen voor zich ; kost geen geld. Gez. eerst of pas (in de wereld) komen -, nog piepjong, nog een nieuweling zijn; er komt heel wat bij -, het is niet zo gemakkelijk ; ervan te staan, erdoor verrast staan ; iets (b. v. de ondeugd) kijkt hem de ogen uit, men ziet het in zijn ogen; kijk eens aan, beschouw dat nu toch eens; kijk eens hier, om de aandacht te vestigen, bij het aanbieden van iets of bij een uitleg of betoog; kijk, kijk, bevel om te kijken of ei, ei; kijk naar je zelf of je eigen, zie naar je eigen gebreken; kijk uit je ogen of doppen, let op ; laat naar je[als een krankzinnige], doe zo mal niet; met de mond vol tanden staan -, sprakeloos; nauw -, nauwlettend toezien; niet zo nauw -, geen al te strenge eisen stellen; op zijn neus -, verlegen, beschaamd of teleurgesteld zijn; wil hoge vensters -, zich laten voorstaan, pretentieus zijn. →: blind, brok, glas, hiel, hoek, Jonas, kaart, kalf, kan, kas, kat, Keulen, Klundert, neus, oog. Syn.→: begluren.
2. met aandacht bezien, bekijken : huizen, prentjes -.
3. zijn aandacht geven aan, ervoor zorgen : wil je naar de kachel, naar het vuur -?
4. zich bedenken : ik zal nog eens -.