Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

Gepubliceerd op 26-09-2020

2020-09-26

kijk

betekenis & definitie

m. (-je)

I. Eig.
1. Algm. het kijken, bezien : iets te zetten. Gez. ergens een -je nemen, vluchtig iets komen zien of er een kort bezoek brengen; met iets te lopen, om het te laten zien; te staan, zitten, om bezien te worden; zijn hebben, veel te bezien hebben.
2. Inz. afzonderlijke handeling van kijken, blik : een -je in het duin; een onderzoekende daar is geen naar of op, daar is geen uitzicht op of daar is geen kans op.

II. Metn. dat waarnaar men kijkt, uitzicht : van op die berg heb je een mooi -je. III. Metf. inzicht: een goede op een zaak hebben.