Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

Gepubliceerd op 30-06-2020

kat

betekenis & definitie

v. (-ten; -je) [msch. Mlat. cattum]

I. Eig.
1. gezellig huisdier voor de muizen en rattenvangst gehouden (Felis domestica): de blaast, krolt, m(i)auwt, spint; de snoept aan de melk; de heeft jongen; de tamme - of huis-; wilde -ten; de zou herkomstig zijn uit Egypte, en over de Levant naar Europa zijn gekomen; een komt altijd op haar poten terecht; het mannetje van de heet kater; een speels -je. Gez. als de -ten muizen, dan mauwen ze niet, als woelige kinderen eten, zijn ze stil; als de weg of van huis of van kant is, dansen de muizen (op tafel), als de meester weg is, maken de kinderen, de onderdanen het bont; daar komt de zwarte in, daar komt ruzie; de bij het spek zetten, iemand in de verleiding brengen; de de bel aanbinden, voor anderen een gevaarlijk werk doen; de gaat op de koord dansen of komt op de koord of te koord, het spel, de moeilijkheid, het gevaar gaat beginnen; de in het of de donker of in het duister knijpen, heimelijk kwaad uitvoeren; de komt een graatje toe, wie dienst bewezen heeft, mag een fooitje krijgen; de uit de boom kijken, zien, [zoals de hond, die afwacht totdat de kat uit de boom komt, om zich op haar te werpen] afwachten, zien hoe de zaak afloopt; de van de bakker heeft het gedaan, zegswijze om een schuld van zich af te schuiven; diplomaten noemen een een beest met vier poten, draaien om de zaak heen; een een noemen, ronduit zijn gedachte zeggen; een in de zak kopen, iets kopen zonder het gezien te hebben of bedrogen uitkomen; ergens de in steken of gooien, de zaak in de war sturen, een afspraak ongedaan maken; geen -je om zonder handschoenen aan te grijpen, aan te pakken, aan te tasten, niet iemand, iets, om zich onbedacht aan te wagen; het-je van de baan zijn, de eerste, haantje-de-voorste zijn; het muist, wat van -ten komt, een mens verloochent zijn aard niet; hij zal er welkom zijn als de in de bontwerkerswinkel, men zal hem gauw zien te lozen; in het donker zijn alle -jes grauw, in het donker ziet men niet hoe iemand gekleed is of er uitziet; leven als - en hond, zeer onenig; met iemand leven als de met de muis, kwaadaardig een zwakkere kwellen; staan te kijken als een in een vreemd pakhuis, zeer verwonderd staan te kijken; wie met de speelt, wordt gekrabd, wie het gevaar bemint, zal er in vergaan; zijn sturen, wegblijven; zo nat als een -, kletsnat; zo vals als een (zingen), uitermate vals. ➝ hond, keizer, smeer.
2. Katten, geslacht van vleesetende dieren, waarvan de kat het type is: de leeuw en de tijger behoren tot de Katten.

II. Metn. halsbont van het vel van een kat: haar had ze om.

III. Metf.

1. M. E. belegeringswerktuig, bestaande uit een bedekte galerij op rollen.
2. katje [naar de min of meer gelijkende vorm van een liggende kat] hoorn der porseleinslak: een kleine soort van wordt in sommige delen van Afrika en Zuid-Azië als pasmunt gebruikt.
3. katje [naar de kattestaartvorm of bij vergelijking met het zachte der kattehuid] aarvormige bloeiwijze met éénslachtige bloemen, die in haar geheel afvalt: de eik, beuk, hazelaar, kastanje, berk, els, wilg, populier dragen -s.
4. zweep als strafwerktuig inz. voor matrozen: de met negen staarten.
5. Mil. berisping, uitbrander: een -je geven, krijgen.
6. Scheepst. takel om het anker tot vóór het kluisgat te hijsen.
7. Scheepst. licht anker aan het zwaardere vastgemaakt, om dit te helpen werken.
8. vinnige, snibbige vrouw of meisje: een kwade, valse -; een echt -je.

< >