Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 30-08-2018

Aarde

betekenis & definitie

AARDE, AARD, v. (mv. AARDEN = aardbollen; soorten van aarde); de planeet die wij bewonen, aardbodem;

— op aarde zijn, verkeeren, zich onder de levenden bevinden;
— over of boven aarde staan, nog onbegraven zijn;
— ter aarde bestellen, begraven;
— in den schoot der aarde, in het graf; (ook) nog in den grond bedolven, nog niet uitgegraven;
— van de aarde scheiden, weggaan, weggenomen worden, sterven;
— de vaste grond der aarde, in tegenoverstelling van het water en den dampkring;
— de aardbol als woonplaats van mensen, in tegenoverstelling van den hemel, het verblijf van hoogere wezens : hemel en aarde bewegen, alles in beweging brengen, alles in het werk stellen;
— de begane grond: ter aarde werpen;
— de oogen ter aarde slaan de oogen neerslaan;
— (oneig.) het geheele menschdom;
— (stofnaam) de vaste stof (klei, zand enz.) die een der voornaamste bestanddeelen der aardschors uitmaakt;
— onder de aarde zijn, liggen, dood en begraven zijn;
— de stof waarin de planten groeien;
— het heeft veel voeten in de aarde, het kost veel moeite;
— dat valt in goede aarde, valt in den smaak, is zeer welkom;
— de kleiachtige en kneedbare stof waaruit een aantal voorwerpen vervaardigd worden;
— van aarde, uit het stof der aarde gevormd, (fig.) broos, vergankelijk;
— aarde wil van aarde niet, de aardsche mensch is aan het aardsche gehecht en doet er ongaarne afstand van;
— aardsoort: Engelsche aarde, donker-aschgrauwe of bruinachtig grijze delfstof, tot het polijsten van metaal gebezigd;
— Brusselsche aarde, mengsel van klei en ijzeroker, bijzonder geschikt tot het schoonschuren van vettige steenen voorwerpen;
— rooie aarde, roodaarde.