ZON betekenis & definitie

ZON, v. een met eigen licht schijnend hemellichaam dat aan andere op zichzelven donkere hemelbollen licht en warmte geeft, dus elke vaste ster; inz. dat lichtende en verwarmende hemellichaam hetwelk aan onze aarde en de overige planeten licht en warmte geeft en voor ons meer dan ééne schijnbare beweging heeft; als sterrenkundig teeken aangeduid door 0; het rijzen, dalen, opgaan, ondergaan der zon; — de zon gaat water halen, zie WATER; — hij is niet waard dat de zon hem beschijnt, hij is niet waard dat hij leeft; — (zeew.) de zon meten of schieten, hare hoogte berekenen, peilen; — (spr.) de zon tot God gaat, verouderde uitdrukking der visscherlieden voor: de zon gaat onder; — de zon staat, zij is op haar hoogst; — de rijzende zon aanbidden, zich indringen, in de gunst trachten te komen bij hen, die tot voorspoed en aanzien geraken; — het land der rijzende zon, Japan; — hij laat de zon niet van zich schijnen, hij is niet mededeelzaam, niet milddadig; — er is niets nieuws onder de zon, zie NIEUW; — hij mag niet zien, dat de zon in het water schijnt, hij is zeer wangunstig; — , (-nen), eene afbeelding der zon; iets dat op eene zon gelijkt; aangestoken en ronddraaiende schijf van een vuurwerk; — (fig.) zonnestralen: de bloemen in de zon zetten; in de zon gaan zitten; — (liefdetaal) oog; — (dicht.) jaar: dertig zonnen reeds draaiden mij boven het hoofd; — orde van de Zon en den Leeuw, Perzische ridderorde; — (zeew.) scheur of plek in de kiel of eenig ander scheepsdeel, dat verveloos gebleven is. ZONNETJE, o. (-s), verkleinw. van zon; het zonnetje schijnt weer, de lieve zon; — (spr.) iem. in het zonnetje zetten, iem. voor den gek houden; — ronddraaiend vuurwerk.