Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

2018-12-06

ZON

betekenis & definitie

ZON, v. een met eigen licht schijnend hemellichaam dat aan andere op zichzelven donkere hemelbollen licht en warmte geeft, dus elke vaste ster; inz. dat lichtende en verwarmende hemellichaam hetwelk aan onze aarde en de overige planeten licht en warmte geeft en voor ons meer dan ééne schijnbare beweging heeft; als sterrenkundig teeken aangeduid door 0; het rijzen, dalen, opgaan, ondergaan der zon;

— de zon gaat water halen, zie WATER;
— hij is niet waard dat de zon hem beschijnt, hij is niet waard dat hij leeft;
— (zeew.) de zon meten of schieten, hare hoogte berekenen, peilen;
— (spr.) de zon tot God gaat, verouderde uitdrukking der visscherlieden voor: de zon gaat onder;
— de zon staat, zij is op haar hoogst;
— de rijzende zon aanbidden, zich indringen, in de gunst trachten te komen bij hen, die tot voorspoed en aanzien geraken;
— het land der rijzende zon, Japan;
— hij laat de zon niet van zich schijnen, hij is niet mededeelzaam, niet milddadig;
— er is niets nieuws onder de zon, zie NIEUW;
— hij mag niet zien, dat de zon in het water schijnt, hij is zeer wangunstig;
— , (-nen), eene afbeelding der zon; iets dat op eene zon gelijkt; aangestoken en ronddraaiende schijf van een vuurwerk;
— (fig.) zonnestralen: de bloemen in de zon zetten; in de zon gaan zitten;
— (liefdetaal) oog;
— (dicht.) jaar: dertig zonnen reeds draaiden mij boven het hoofd;
— orde van de Zon en den Leeuw, Perzische ridderorde;
— (zeew.) scheur of plek in de kiel of eenig ander scheepsdeel, dat verveloos gebleven is. ZONNETJE, o. (-s), verkleinw. van zon; het zonnetje schijnt weer, de lieve zon;
— (spr.) iem. in het zonnetje zetten, iem. voor den gek houden;
— ronddraaiend vuurwerk.