Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Gepubliceerd op 01-01-2021

Al

betekenis & definitie

I. onbep. hoofdtelw. en vnw., bijvoegl. en zelfst.;

1.geheel, gans : al de vloot, al de stad ; — nog in : al zijn leven, zijn ganse leven; — op al de wereld, op de gehele wereld ; — al de dag, de ganse dag; — hij doet al zijn best, zijn uiterste best; — met al zijn macht; — ik erken al de kracht van dit bewijs, ik erken die kracht ten volle ;

al zijn leven! uitroep van verwondering; ook als bijw.bep., waarschijnlijk ; ik geloof al zijn leven ik geloof stellig;

2.de gehele hoeveelheid aanduidend, voor collectieven : alle vee, al het vee is verkocht; — voor stofn.: alle vlees is als gras ; al het vlees ; — voor abstracta: alle angst was voorbij; al de moeite was vergeefs ; — voor zelfst. gebr. bnw. : hij heeft alle zoet, al het zoet gesmaakt;

verbonden met het, dit en dat en bez. vnw. : al dit snateren geeft niets ; al uw moeite ; al het mijne ; — vroeger ook voor persoons- en zaaknamen, vandaar nog : alle man, alle ding; in allen (dat.) gevalle; in allen dele ; — met alle eerbied gezegd, in alle ernst, meeste, grootste;

in aller (dat.) haast, ijl, in de grootste haast;

3. in tijdsbepalingen (ook met enkelv.): alle uur een lepel; alle ogenblik, ieder, elk (vgl. al de dag); — te allen (dat.) tijde, aller ure ;
4.het gehele aantal (voor meerv. znw.): alle mensen, al de mensen, alle wilde dieren; — (tijdsbep.) alle veertien dagen komt hij bij mij. om de veertien dagen; — voor telw. : we sukkelen alle drie ; alle vier de maanden hebben mij iets nieuws gebracht (vgl. alle vier maanden);
5.in zelfst. gebruik om een gezamenlijke hoeveelheid aan te duiden; als gemeensl. vnw. in al wie : al wie bankbiljetten namaakt, wordt gestraft, iedere persoon die elk die ; — verder komt ’t zelfst. al in ’t enkelv. slechts in ’t onzijdig voor en staat gelijk met alles : eind goed, al goed; zij gelooft al wat men haar zegt;hij wordt geëerd door al wat braaf is, door alle braven; ’t schreeuwt alles te wapen, ’t wil al in ‘t geweer, allen; — met dit al blijf ik een arme drommel niettegenstaande dit alles; — (w. g.) weet ik het al! weet ik dat allemaal! (uitroep van ongeduld); — geld is het al, alles waar ’t op aankomt; ‘t is niet al goud, wat er blinkt, schijn bedriegt; — is dat al? alles wat gij te zeggen hebt, wat er is ; ook : is het meer niet ? — Oranje boven al, zie Bovenal; — niet met al, niemendal, niets ; — dat is nog het gekst van al; — hij at de perzik met schil en al op, zelfs de schil; hij stapt voort door slijk en al; — ik waarschuw u eens voor al, voor altijd;
6.als zelfst. vnw. meerv. (allen voor personen, alle voor zaken): het verbaasde allen die het hoorden; — aller ogen waren op hem gevestigd ; de slaven werden allen bevrijd ; hij is ons aller, u aller vriend ; — die huizen zijn alle nieuw ;

(dicht, en Zuidn.) ook al voor allen: ‘t kost u al de hals; ons al te gader, ons allen te zamen; — II. zn. o., alles wat bestaat: de Heer die ‘t Al uit ‘t edig Niet deed worden; — alles wat van belang is, wat waarde heeft, waar ’t op aankomt: Is Christus Niets, of Iets of ‘t Al; — dat kind is zijn al (gewoonlijk zijn alles); — (in ’t meerv.) schertsend in toepass. op personen op wie alles aankomt: een goed bestuur moet bestaan uit drie allen, drie mallen en drie niemendallen; III.bw.,

1. (veroud.) geheel, ten volle : dat is niet al mijn schuld; — nog over in verbindingen: gans en al, geheel en al, helendal; ben je heel en al zot?
2.versterking van een bw. van graad: die dame moet al heel mooi geweest zijn; dat is al een heel raar geval; (met weglating van ’t bw. van graad): de mens is al een raar heertje; ik moet al wat verduren; — ook voor andere bw.: dan komt Klaas Vaak al zachtjes aangetreden ; vgl. aldaar, aldus, alreeds, allicht enz.; — al wel, zeer wel; — al wel, maar. ..., toegestemd, goed, maar . ...; — ook nog in al naar (gelang, mate) : al naar mate van zijn vermogen moet ieder betalen; — al te, zeer, in hoge mate, thans alleen met ontkenning : hij is niet al te snugger, niet al te wel; — al te, te zeer, in te hoge mate : dat bad was me al te fris ; hij is wat al te vroom ; hij komt al te dikwijls ; — hij is maar al te goed op de hoogte, meer dan wenselijk is; — (gemeenz.) foei, dat is dl te, dat gaat te ver ;
3.zonder bep. zin, als stopwoord, in volksliederen, rijmpjes : daar zaten zeven kikkertjes, al in een boerensloot; kom, laten wij een wandeling gaan doen, al in ‘t jeugdig groen ; al uit mijn liefstes hof ;
4. wel (tegenstelling van niet); in vrij gebruik alleen gew.: ‘t is al, ’t is wel(les);

gij kunt er al of niet gebruik van maken ; ik twijfelde of zij mij al dan niet had horen komen; — ik bleef al zo lief op mijn bed liggen, wel zo gaarne, eigenlijk liever ; ook nog dl zo lief;

5.reeds: daar is de man al; dat is al oud nieuws ; al een uur heb ik gewacht; zijt gij daar nu al; — zijt ge daar al weder, reeds terug ; vgl. alweder; al lang, al ras ; aaneen : aldra, alvast;
6. voortdurend, gedurig : ze zit al maar te breien; hij vloekte zo al voort; en zo al voort; — ‘t gevaar wordt al groter ; zij kwamen al nader en nader;
7.(bij teg. deelw.) een werking van enige duur aanduidende, als gelijktijdig met die. in ’t gezegde vermeld, door ’t onderwerp verricht: hij sprak al lachende;al doende leert men, door te doen leert men;
8.als versterkingswoord: hij doet ook al mee, nl. tegen verwachting of wens ; — lig je nóg al te bed, versterking van nog ; — zijn aanhang wordt nóg al groter, steeds, versterking van groter;hij bedriegt mij en hij heet nog al mijn vriend, nog wel, dat komt er nog bij (vgl. daarnaast ‘t weer is nogal goed, vrij goed);
9.na de vraagwoorden wat, wie, waar enz. en na zo versterkt al de onbepaaldheid, algemeenheid der uitdrukking : kasten, stoelen, tafels en ik weet niet wat al meer ; vertel me, wat je zo al gezien hebt, waar je zo al geweest bent; en zo al meer; ook en zó al, en dergelijke ; — ook in uitroepen : wat al dwaasheden! wie er al niet rookt!
10.een voorwaardelijke bijzin wordt door invoeging van al tot een toegevende gemaakt: zo hij al rijk wordt, gelukkig wordt hij niet; of (indien) hij al werkt, hij komt toch niet vooruit; heeft hij al geen geld, schulden heeft hij ook niet; — zo al niet. . . ., dan toch . .. .; (vgl. bij al zijn slimheid heeft hij hier toch dom gehandeld) ; —

(Zuidn.) ‘t lekkers is al, is op ; — ook alle; IV.voegw.,

1. (in toegev. bijz.) ofschoon, hoewel: al ben ik arm, ik ben gelukkig ; — ik heb hem royaal behandeld, al zeg ik het zelf, met alle bescheidenheid gezegd; — ook : in het geval dat, zelfs wanneer : ik zou niet toeslaan, al bood men mij ook duizend gulden; — wij moeten het doen, al is het (ook, dan ook, zelfs) voor de vorm (door ook, dan ook komt de tegenstelling van de bijzin meer uit); — al is het voor hem verborgen geweest, nochtans (evenwel, toch) is hij schuldig;
2. (veroud.) als, gelijk, alsof;
3. (gew.) indien, als;
V. voorz., (Zuidn.) al de weide gaan, langs, door; — al strate lopen, over straat.